← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:326

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.350.865 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 435555 arrest van 20 januari 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: [appellant] advocaat was mr. J. Zeegers, nu zonder advocaat en Obelix Stables B.V. die is gevestigd in Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek en bij de rechtbank optrad als eiseres hierna: Obelix advocaat: mr. J.W.M. Soentjens 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 30 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het arrest van 18 maart 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald die op verzoek van [appellant] niet is doorgegaan de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 november 2025 is gehouden. 1.2. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. Obelix heeft diverse werkzaamheden verricht voor [appellant] waaronder het stallen en verzorgen van paarden. Obelix heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van facturen voor deze diensten en bijkomende kosten. [appellant] meent dat Obelix een vriendendienst heeft verleend en vindt dat hij de facturen daarom niet hoeft te betalen. Obelix vordert ook vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt in verband met het uitoefenen van een retentierecht op een paard. [appellant] betwist ook hiervoor een vergoeding verschuldigd te zijn, omdat het paard volgens hem niet van hem is en Obelix bovendien geen beroep op een retentierecht toekomt. 2.2. De rechtbank heeft de vorderingen van Obelix voor een belangrijk deel toegewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er een overeenkomst is gesloten tussen [appellant] en Obelix en dat geen sprake was van een vriendendienst. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat Obelix een beroep op het retentierecht toekomt. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Beslissing van het hof 2.3. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in stand laten en licht dat hierna toe. 3De toelichting op de beslissing van het hof De feiten 3.1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast. 3.2. Obelix drijft een onderneming die zich onder andere bezig houdt met het fokken en houden van paarden, waaronder begrepen de exploitatie van een (pension-)stalling. 3.3. Obelix heeft voor [appellant] diverse werkzaamheden verricht ten behoeve van verschillende paarden. Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit stalverhuur en inseminatie voor onder andere de hengst Castor. 3.4. Obelix heeft [appellant] facturen gestuurd voor deze werkzaamheden over de periode maart 2021 tot en met januari 2024, maar deze facturen zijn, ondanks sommaties, onbetaald gebleven. 3.5. Obelix heeft een beroep gedaan op een retentierecht betreffende Castor, die door [appellant] bij Obelix was gestald en betreffende een stikstofvat met spermarietjes. Obelix heeft de hiermee gemoeide kosten in rekening gebracht bij [appellant] . 3.6. Castor en de spermarietjes zijn inmiddels openbaar verkocht door Obelix. De opbrengst was in totaal € 5.050. De beoordeling Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen 3.7. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met Obelix. Hij voert aan dat partijen over en weer werkzaamheden voor elkaar verrichtten en dat deze met elkaar verrekend werden. Pas toen de verhouding verstoord raakte, heeft Obelix facturen gestuurd. Obelix betwist dit; er is geen vriendschap en er is altijd gezegd dat de kosten bijgehouden werden. 3.8. De term vriendendienst komt niet voor in de wet. In de rechtspraak wordt het wel omschreven als een eenvoudige toezegging tot hulp en bijstand in de particuliere sfeer. Bij een overeenkomst van opdracht verbindt de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever tot het verrichten van werkzaamheden, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst. Of een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen of dat het gaat om een vriendendienst, is afhankelijk van de bedoeling van partijen en van wat partijen over en weer tegenover elkaar hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, rusten op Obelix. 3.9. Vast staat dat Obelix aanzienlijke werkzaamheden voor [appellant] heeft verricht gedurende een periode van meer dan twee jaar. Die werkzaamheden zijn niet verricht in de particuliere sfeer. [appellant] wist immers dat Obelix een professionele onderneming is die de door haar verleende diensten en gemaakte kosten in rekening brengt bij haar klanten. [appellant] heeft ook erkend, zowel in eerste aanleg als op de mondelinge behandeling bij het hof, dat hij wist dat hij Obelix iets zou moeten betalen; hij dacht alleen dat het minder zou zijn omdat hij ook wederdiensten heeft verricht. [appellant] heeft ook verklaard dat hij wist dat Obelix de gemaakte kosten bijhield omdat dit hem werd verteld. Daar komt bij dat de omvang van de door Obelix verleende diensten en de gemaakte kosten zo omvangrijk zijn, dat het niet in de rede ligt dat dit gratis zou zijn. [appellant] weerspreekt ook niet dat de facturen in die zin kloppen dat de daarop gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht door Obelix op verzoek van hem. De omvang van de wederdiensten die [appellant] zou hebben verricht, is niet vast komen te staan. Volgens [appellant] heeft hij Obelix geholpen met merriebegeleiding en heeft hij diverse contacten/afnemers aan Obelix doorgeschoven; volgens Obelix is het beperkt tot het inrijden van drie paarden. Maar zelfs als [appellant] aanzienlijke wederdiensten heeft verricht, dan maakt dat nog niet dat Obelix een vriendendienst heeft verricht. 3.10. Daar komt bij dat in het dossier WhatsApp-berichten zijn opgenomen tussen [appellant] en de man van de eigenaar van Obelix, waaruit blijkt dat Obelix in opdracht van [appellant] spermarietjes verstuurde aan afnemers en prijzen doorgaf aan potentiële afnemers. Zo stuurt [appellant] op 11 juni 2023 een afleveradres door voor “gekoeld sperma van Castor”. Daarbij vraagt hij ook of vanuit Obelix de tarieven kunnen worden doorgestuurd naar een derde. Hieruit blijkt dat Obelix in opdracht van [appellant] sperma van Castor naar een contactpersoon van [appellant] stuurt. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] toegelicht dat dit om een bestelling van sperma ging. Uit de facturen volgt dat Obelix dit vele malen voor [appellant] heeft gedaan. Het verstrekken van instructies aan een ander om bepaalde werkzaamheden uit te voeren is een kenmerk van de overeenkomst van opdracht. Al het voorgaande maakt dat het hof tot het oordeel komt dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestond. 3.11. [appellant] heeft er ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat Obelix een vriendendienst verrichtte. In de eerste plaats niet omdat Obelix een professioneel bedrijf is. Volgens [appellant] heeft hij, door het uitblijven van facturatie, erop vertrouwd dat de kosten voor de werkzaamheden van Obelix en zijn werkzaamheden tegen elkaar werden weggestreept. Hij voert daartoe aan dat aan het einde van het seizoen werd besproken hoeveel Obelix had gedaan en hoeveel hij had gedaan. Namens Obelix is verklaard dat er niet gefactureerd is, omdat [appellant] steeds zei dat hij het af zou lossen en dat het goed zou komen. [appellant] heeft daarop toegelicht dat Obelix wist van zijn financiële problemen. Het enkele uitblijven van de facturatie, terwijl er wel met regelmaat werd gesproken over oplopende kosten én [appellant] ook verwachtte dat hij iets zou moeten betalen, is onvoldoende om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat hij geen betaling verschuldigd was. [appellant] is niet aan te merken als een consument 3.12. [appellant] stelt dat hij zich niet professioneel bezighoudt met paarden, maar slechts hobbymatig. Om te beoordelen of [appellant] consument is en daarmee in aanmerking komt voor consumentenbescherming tegenover Obelix moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden van de overeenkomst tussen partijen. Daarbij is in ieder geval van belang of de overeenkomst verband houdt met een beroepsactiviteit van [appellant] . 3.13. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [appellant] al langere tijd paarden fokt. Tot 2016 heeft hij dat gedaan met zijn onderneming [naam1] en sindsdien voornamelijk onder zijn eigen naam. Hij gebruikt daarvoor een paar merries van zijn ouders en huurt een locatie. Hij plaatst advertenties op sociale media, op eigen naam en in ieder geval tot elf maanden geleden ook onder de naam [naam1] . In die advertenties zet hij paarden te koop, ook in opdracht van derden. Ook verkoopt [appellant] spermarietjes van hengst(

  1. en)aan afnemers en helpt hij deze afnemers bij de merriebegeleiding en nazorg. Op de mondelinge behandeling zijn de sociale media van [appellant] en [naam1] bekeken. Daaruit is gebleken dat [appellant] vanaf de zomer van 2025 minstens 3 paarden te koop heeft gezet: Copyfox of Copycat op 10 augustus Philosopher a.k.a. Pumba op 21 augustus Mylana op 9 oktober Ook biedt hij via sociale media de fokdiensten van hengsten aan. [appellant] heeft op de mondelinge behandeling ook schoorvoetend toegegeven dat hij soms een kleinigheid ontvangt voor de verkoop van een paard voor een ander. Wat zijn (andere) bronnen van inkomen zijn, wilde hij niet zeggen. Ook heeft hij toegegeven dat hij in ruil voor een levering van sperma iets ontvangt van de afnemer en dat een dekking van Castor hem € 600 oplevert. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij de verzendkosten die Obelix bij hem in rekening brengt, doorberekent aan de afnemers en dat de kosten voor het springen bij de kosten voor de dekking zijn inbegrepen en door de afnemer worden betaald. 3.14. Het hof is van oordeel dat [appellant] beroepsmatig actief is in de paardenfokkerij en paardenhandel. Een andere kenbare bron van inkomen heeft hij niet, terwijl hij in hoger beroep zonder toevoeging procedeert. [appellant] bezit met zijn familie meerdere paarden en altijd wel één dekhengst waarmee veelvuldig wordt gedekt. Daarnaast staan op de sociale media accounts van [appellant] meerdere paarden te koop. Vast staat ook dat [appellant] in opdracht van anderen paarden verkoopt, waarmee hij in feite bemiddelt. Het hof twijfelt er niet aan dat dit voor [appellant] een bron van inkomsten is, hetgeen hij zelf ook schoorvoetend toegeeft. De mate waarin gehandeld wordt, kan niet worden aangemerkt als hobbymatig gelet op de aantallen paarden die verhandeld worden, maar met name ook het feit dat hij dit voor anderen doet. Ook het fokken van paarden met de daarbij behorende merriebegeleiding en nazorg is professioneel te noemen gelet op de omvang en aard van de activiteiten. De aantallen afnemers die [appellant] bedient met de diensten van zijn hengsten zijn aanzienlijk. Dat blijkt ook uit de onbetwiste opsomming daarvan in de facturen van Obelix. De overeenkomst tussen partijen heeft betrekking op stalverhuur, het voeden en het verzorgen van diverse dekhengsten. Obelix heeft deze hengsten laten springen, het sperma opgevangen en deze in opdracht van [appellant] verzonden naar afnemers van [appellant] . Daarnaast deed Obelix de drachtbegeleiding. Eén van die dekhengsten was Castor. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] toegelicht dat Castor een paard van een vriendin was die hij bij Obelix heeft gebracht, omdat dit paard niet samenging met een ander paard in de familiestal, waar [appellant] Castor eerst voor die vriendin had gestald. Hieruit volgt ook dat hij deze diensten van Obelix afnam voor een ander. Bovendien heeft [appellant] , zoals ook hiervoor geoordeeld, toegegeven dat hij een vergoeding ontving voor het sperma van de dekhengsten dat Obelix voor hem naar afnemers stuurde en dat een dekking van Castor hem € 600 opleverde. 3.15. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de overeenkomst met Obelix duidelijk verband houdt met de beroepsactiviteit van [appellant] . Daarom kan [appellant] niet worden aangemerkt als consument in zijn contractuele relatie met Obelix en komt hem geen consumentenbescherming toe. Obelix heeft rechtsgeldig een beroep gedaan op een retentierecht 3.16. Obelix heeft geweigerd Castor terug te geven aan [appellant] , omdat [appellant] de facturen niet betaalde. Obelix beriep zich daarvoor op het retentierecht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat Obelix zich op dat retentierecht kan beroepen. Immers, Obelix heeft geen vordering op hem en Castor is niet van hem. Obelix voert aan dat zij wel degelijk een vordering op [appellant] heeft en dat het niet relevant is wie eigenaar is van Castor. 3.17. Voor een succesvol beroep op het retentierecht moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
  2. i)de schuldeiser moet een opeisbare vordering hebben op de schuldenaar,
  3. ii)er moet voldoende samenhang bestaan tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak en iii) de schuldeiser moet de feitelijke macht over de zaak uitoefenen. 3.18. Hiervoor is al geoordeeld dat Obelix een vordering heeft op [appellant] , zodat aan voorwaarde (
  4. i)is voldaan. Ook de kosten gemoeid met de stalling van Castor komen voor zijn rekening; op de mondelinge behandeling is gebleken dat [appellant] het paard Castor bij Obelix heeft gebracht om het daar te stallen. Daarmee zijn deze werkzaamheden deel uit gaan maken van de overeenkomst van opdracht en is [appellant] als opdrachtgever de kosten daarvoor verschuldigd. Er bestaat voldoende samenhang tussen de vordering, die deels ook ziet op de stalling van Castor, en de verplichting tot afgifte van Castor, zodat aan voorwaarde (
  5. ii)is voldaan. Dit is overigens ook niet in geschil. Tot slot oefent Obelix de feitelijke macht uit over Castor. Hiermee is ook aan voorwaarde (iii) voldaan. De conclusie is daarom dat Obelix rechtsgeldig een beroep op het retentierecht heeft gedaan en dat het er niet toe doet wie de eigenaar is van Castor. De conclusie 3.19. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.20. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4. De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 30 oktober 2024; 4.2. veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Obelix: € 2.255 aan griffierecht € 3.142 aan salaris van de advocaat van Obelix (2 procespunten x tarief III van € 1.571 per punt); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, M.P.M. Hennekens en M.C. Bijl , en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026. ECLI:NL:RBGEL:2024:8254. Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb EEG L 95/29. HvJ EU 8 juni 2023, C-570/21, ECLI:EU:C:2023:456 (IS, KS). HvJ EU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea) en HvJ EU 27 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:839 (Immeuble).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.