Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2026:3308
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.357.109/01 CJIB-nummer : 263746291 Uitspraak d.d. : 27 mei 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
Op 30 december 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
Op 7 januari 2026 zijn stukken van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 8 januari 2026. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].
Ter zitting is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld nadien nog een reactie te geven op de brief van 30 december 2025 en de overgelegde stukken. Op 6 februari 2026 is deze reactie ontvangen. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen op deze reactie te reageren.
Op 9 maart 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv is ondubbelzinnig: ‘De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd…’. De wetgever heeft gekozen voor een dwingende formulering. De bevoegdheid om een proceskostenveroordeling uit te spreken op grond van dit artikel ligt exclusief bij de rechterlijke macht. Een lex specialis vereist een expliciete afwijking van de algemene regel voor het specifieke geval en die ontbreekt. De officier van justitie is daarmee aangewezen op de algemene regeling van artikel 7:28 van de Awb, die geen basis biedt voor de factor 0,25. De onbevoegdheid van de officier van justitie wordt verder onderstreept door de systematiek van artikel 13a van de Wahv zelf. Het tweede lid wijst dwingend terug naar de kosten bedoeld in het eerste lid. Dat dit geen vergetelheid van de wetgever is, blijkt uit het derde lid van artikel 13a van de Wahv. Daar wordt de beslissing op het administratief beroep wel expliciet genoemd in een andere context. De wetgever heeft dus bewust gedifferentieerd. Het is niet aan de rechter om de wet te herschrijven op basis van doelmatigheidsoverwegingen. Nu vaststaat dat de wetgever heeft nagelaten een wettelijke grondslag te creëren voor de officier van justitie in de Wahv, mag dit niet door de rechter worden gerepareerd middels een interpretatie contra legem.
De kernactiviteit is het ontwikkelen van software voor zakelijke wagenparkbeheerders om boetes administratief te verwerken. De juridische entiteit Appjection B.V. opereert onder twee handelsnamen, die elk een eigen marktsegment, waardepropositie en verdienmodel bedienen. ‘The Fine Hub’ (B2B) richt zich op de zakelijke markt en biedt via haar platform drie manieren om boetes te verwerken. Het merk ‘Appjection’ (B2C) richt zich op de individuele automobilist, die beroep wil instellen tegen een opgelegde sanctie. Er is geen sprake van een ‘procesfabriek’ met standaardteksten, maar van geavanceerde, op de zaak toegespitste rechtsbijstand, ondersteund door software. De cliënt is actief betrokken en volledig eigenaar van zijn zaak.
Het verdienmodel is niet uitsluitend gebaseerd op no cure no pay, gezien de dominante rol van de overige dienstverlening. Slechts elf procent van de zaken heeft een zuiver no cure no pay karakter. Dit maakt dat het toepassen van de generieke kortingsmaatregel op de gehele praktijkvoering van de gemachtigde onhoudbaar is. De overgelegde financiële analyse weerlegt het vermoeden van overcompensatie. De maatregel is bedoeld om perverse prikkels en excessieve winsten weg te nemen. Bij de gemachtigde ontbreken deze. De maatregel straft innovatie en efficiency af en brengt de laagdrempelige toegang tot het recht voor de burger ernstig in gevaar. De winst in 2025 is een incidentele anomalie, veroorzaakt doordat het Parket CVOM duizenden oude dossiers wegens termijnoverschrijdingen in één keer heeft afgedaan.
De kosten voor deze zaken zijn in eerdere jaren genomen. De aanname dat elke gewonnen zaak tot een uitbetaalde vergoeding leidt, is onjuist. Een deel van de aan de betrokkene uitbetaalde proceskostenvergoedingen is oninbaar voor de gemachtigde.
Dat volgens de gemachtigde van de betrokkene slechts elf procent van de zaken zuiver no cure no pay is, doet aan het voorgaande niet af. Ook de omstandigheid dat het jaar 2025 voor wat betreft de toegekende proceskostenvergoeding niet representatief zou zijn, maakt het voorgaande niet anders. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (vgl. ov. 3.4.3 van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad). Bij deze stand van zaken is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde met het oog op het vaststellen van een proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.