GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.746/01 CJIB-nummer : 222875200 Uitspraak d.d. : 21 januari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 4 augustus 2020, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht. De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
- Namens de betrokkene is aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter eerst op 12 maart 2025 door de rechtbank per e-mail aan de gemachtigde is toegezonden.
- In het dossier bevindt zich de beslissing van de kantonrechter van 4 augustus
- Blijkens de begeleidende brief zou deze op 13 augustus 2020 zijn verzonden. Op deze brief staat ‘aangetekend’ vermeld. Uit het verweerschrift van de advocaat-generaal blijkt dat de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal navraag bij de rechtbank heeft gedaan. Hieruit is gebleken dat de beslissing van de kantonrechter op 13 augustus 2020 met een aangetekende brief is verzonden, maar dat de rechtbank hiervan geen verzendbewijs heeft.
- Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat en wanneer de beslissing van de kantonrechter daadwerkelijk is verzonden. Hetgeen zich in het dossier bevindt is - in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie - onvoldoende om de verzending aannemelijk te achten. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Het hof acht het hoger beroep van de betrokkene derhalve ontvankelijk.
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “R550b - handelen in strijd met geslotenverklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bep. categorie voertuigen ”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 november 2018 om 17:41 uur op de locatie De Binding in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven vanwege de thans gehanteerde feitcode en vanwege de lange duur van de procedure. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat de feitcode R550b wegens inconsistent gebruik is afgesloten. Voor de onderhavige gedraging kan eveneens worden geverbaliseerd voor de gedraging zoals omschreven in feitcode R550a. Tot wijziging van de feitcode hoeft dit niet leiden, maar wel moet het meest gunstige tarief toegepast worden. Gelet hierop verzoekt de gemachtigde het sanctiebedrag vast te stellen op het ten tijde van de gedraging voor feitcode R550a geldende tarief.
- Op 1 maart 2023 is het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (het Besluit) in werking is getreden (Staatsblad 2023, 53). Hierin is met betrekking tot de onderhavige feitcode, feitcode R550b, bepaald dat deze wegens inconsistent gebruik is afgesloten en dat voor de gedraging zoals omschreven in deze feitcode eveneens kan worden geverbaliseerd voor de meer generiek omschreven gedraging zoals opgenomen in feitcode R550a.
- Tot vernietiging van de inleidende beschikking of wijziging van de feitcode behoeft dit niet te leiden, nu feitcode R550b ten tijde van de gedraging nog in gebruik was. Dit brengt echter wel mee dat, in aansluiting op rechtsoverweging 119 van het Scoppola-arrest (EHRM, 17 september 2009 (Scoppola tegen Italië), nr. 10249/03), het meest gunstige tarief toegepast dient te worden dat tussen de dag van de gedraging en de dag waarop het hof uitspraak doet, heeft gegolden. Het hof zal het sanctiebedrag daarom vaststellen op het ten tijde van de gedraging voor feitcode R550a geldende tarief van € 95,- (vgl. het arrest van het hof van 9 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4869).
- Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven vanwege de lange duur van de procedure, overweegt het hof als volgt. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in bezwaar of administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld.
- De inleidende beschikking is op 28 januari 2019 verzonden. Nu de zaak in eerste aanleg is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 4 augustus 2020, is de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn van berechting niet overschreden, nu deze met het indienen van het hoger beroepschrift op 12 maart 2025 is aangevangen en het hof dus uiterlijk 12 maart 2027 arrest moet hebben gewezen.
- Hoewel de totale duur van de procedure meer dan vier jaar bedraagt, leidt dit niet tot een matiging van het sanctiebedrag in hoger beroep. Dit is enkel het geval als in de procedure van hoger beroep de redelijke termijn van berechting van twee jaar is overschreden en de totale duur van de procedure meer dan vier jaar bedraagt. Daarvan is in casu geen sprake. Deze aangevoerde grond slaagt niet.
- Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 934,- (= 2 x € 934,- x 0,5). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 95,-; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 934,-. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.