GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.356.637 (zaaknummer rechtbank Gelderland 446568) beschikking van 22 januari 2026 inzake [verzoeker] , wonende in [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. C. Huy, en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd in Arnhem, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende] , wonende op een bij het hof bekend adres, verder te noemen: de moeder. 1
- Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 april 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemd zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 juli 2025; - het verweerschrift met producties; - een journaalbericht namens de vader van 5 december 2025 met een productie; - een journaalbericht namens de vader van 7 december 2025 met een productie. 2.2 De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de omgangsregeling met de vader, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren: - namens de vader zijn advocaat; - twee vertegenwoordigers van het Landelijk Expertise Team (LET) namens de GI. 3De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]
- 3.2 [minderjarige] staat onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 9 maart
- 3.3 Bij beschikking van 4 maart 2024 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] belast. Verder heeft de rechtbank als omgangsregeling vastgesteld dat [minderjarige] begeleide omgang met de vader heeft minimaal één uur per drie weken, waarbij de opbouw van de aard, de frequentie, de duur van de contacten en de wijze van begeleiding worden bepaald door de GI. 4De omvang van het geschil 4.1 De GI heeft aan de kinderrechter verzocht om de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen. De kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen en heeft bepaald dat er geen omgang plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader, tenzij de vader zich houdt aan de voorwaarden van de GI zoals opgenomen in de beschikking en waarbij de opbouw van de aard, frequentie, de duur en de begeleiding van de omgang onder regie van de GI wordt vormgegeven. 4.2 De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de GI niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen. 4.3 De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing Wat staat in de wet? 5.1 In artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Wat vindt het hof 5.2 Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en de niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Weliswaar verzoekt de GI geen ontzegging van het recht op omgang met de vader (deze mogelijkheid staat ook niet met zoveel woorden in artikel 1:265g BW), maar het hof is het met de kinderrechter eens dat het verzoek van de GI getoetst moet worden aan de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW. Het verzoek komt er namelijk inhoudelijk op neer dat er geen omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] , tenzij de vader zich houdt aan de voorwaarden van de GI. Toetsing aan de gronden tot ontzegging biedt de vader, wiens wettelijke recht tot omgang hier ter beoordeling voorligt, ook meer rechtsbescherming. 5.3 Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW kan de rechter het recht op omgang van een ouder ontzeggen, indien: a. de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen de omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 5.4 Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de door de rechtbank op 4 maart 2024 vastgestelde begeleide omgang met de vader op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke ontwikkeling van [minderjarige] , dan wel anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige] in de zin van artikel 1:377a lid 3 BW. Het hof overweegt daartoe als volgt. 5.5 Het hof constateert op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is verteld dat bij de vader sprake is van een patroon, waarbij het hem al een paar jaar niet lukt een bestendige (begeleide) omgangsregeling met [minderjarige] na te komen. Ook heeft de vader moeite met het nakomen van andere afspraken. De GI vertelde op de zitting als recent voorbeeld dat de vader zich inmiddels heeft aangemeld bij de GGZ, maar dat de vader pas bij de derde intakeafspraak is verschenen en bij de eerste afspraak voor de behandeling is weggestuurd omdat hij onder invloed van middelen was. Verder is volgens de GI de vader een paar dagen voor de zitting bij het hof aangehouden door de politie wegens winkeldiefstal en mishandeling van een beveiliger. Deze voorbeelden bevestigen naar het oordeel van het hof de zorgen die er zijn over het gedrag van de vader. Omdat de vader niet aanwezig was op de zitting bij het hof (volgens eigen zeggen wegens ziekte) heeft het hof - net als de kinderrechter - de vader niet zelf kunnen bevragen over hoe het met hem gaat. Bij de vader lijkt op grond van het dossier sprake te zijn van onmacht, en geen onwil, voortkomend uit zijn eigen (verslavings)problematiek. De wens van de vader om een vastgestelde begeleide omgang met [minderjarige] te hebben is begrijpelijk, maar gelet op de problematiek bij de vader heeft het hof er geen vertrouwen in dat de vader in staat zal zijn het eerdergenoemde patroon te doorbreken. Doordat de vader onvoorspelbaar is en hij moeite heeft met het nakomen van afspraken is [minderjarige] herhaaldelijk blootgesteld aan teleurstelling, onzekerheid en heeft hij niet op de vader kunnen vertrouwen. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat een herhaling van een teleurstelling bij de nakoming van de omgang wordt voorkomen. Zeker nu de vader en [minderjarige] wel regelmatig bel- en appcontact met elkaar hebben en zij elkaar buiten de formele kaders af en toe kort ontmoeten met medeweten van de moeder en de GI. Tijdens de zitting werd duidelijk dat de GI deze informele ontmoetingen voor nu veilig genoeg acht en dat deze ontmoetingen in lijn zijn met de uitdrukkelijk wens van [minderjarige] , die wel prijs stelt op incidenteel contact met zijn vader maar zelf graag de regie houdt in het contact met de vader. Dit alles maakt dat het hof bestreden beschikking zal bekrachtigen. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 april
- Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.F. van Vugt, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.