GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.355.287 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 576597) beschikking van 22 januari 2026 inzake [verzoekster] , wonende in [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.Y. Hofstra, tegen [verweerder] , wonende in [plaats1] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), van 5 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2025; - het verweerschrift met bijlagen; - een journaalbericht namens de man van 4 november 2025 met een bijlage; - een journaalbericht namens de vrouw van 12 november 2025 met bijlagen; - een journaalbericht namens de man van 20 november 2025 met bijlagen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2025 plaatsgevonden. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Voor de man was een tolk in de [taal] aanwezig. 3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest en zij zijn de ouders van: - [minderjarige1] (hierna: [minderjarige1] ), geboren [in] 2014; - [minderjarige2] , geboren [in] 2015, die bij de vrouw wonen. De man heeft nog twee kinderen: - [kind1] (hierna: [kind1] ), geboren [in] 2004; - [kind2] (hierna: [kind2] ), geboren [in] 2009, die beiden bij hun moeder in [land] wonen. 3.2 Bij de beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie (voor [minderjarige1] en [minderjarige2] ), zoals die was vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking van 15 juni 2017, gewijzigd en bepaald dat die bijdrage vanaf 30 november 2021 € 132,- per kind per maand bedraagt. 3.3 Bij de beschikking van 26 mei 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de bij beschikking van 9 juni 2022 vastgestelde bijdrage te wijzigen, afgewezen en de man in de proceskosten van de vrouw veroordeeld. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de in de beschikking van 9 juni 2022 vastgestelde, door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] gewijzigd en die alimentatie met ingang van 5 maart 2025 vastgesteld op € 17,- per kind per maand en beslist dat de beschikking ook geldt als de vrouw of de man hoger beroep instelt (uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 4.2 De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man alsnog af te wijzen, en een beslissing over de proceskosten te nemen. 4.3 De man heeft verweer gevoerd en gevraagd om de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen. 5De motivering van de beslissing De ontvankelijkheid 5.1 Volgens de vrouw had de rechtbank de man niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn wijzigingsverzoek. Het enkele feit dat de man vanaf 28 november 2023 een bijstandsuitkering ontvangt rechtvaardigt nog niet een verlaging van de alimentatie. De man heeft volgens de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd over de hoogte van zijn uitkering, vermogen, verdiencapaciteit, zijn woonsituatie en die van de [nationaliteit] kinderen. 5.2 Het hof is van oordeel dat de rechtbank de man terecht heeft ontvangen in zijn verzoek. Op het moment van de bij de beschikking van 9 juni 2022 vastgestelde kinderalimentatie had de man een ander (hoger) inkomen. Het enkele feit dat er sprake is van een wijziging van het inkomen van de man, waarover later meer, rechtvaardigt op zich een herbeoordeling van zijn draagkracht om alimentatie te betalen. Vervolgens dient te worden beoordeeld of die inkomenswijziging ook moet leiden tot een wijziging van de alimentatie met ingang van 5 maart
- Het inkomen van de man 5.3 De vrouw stelt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aangewezen op een bijstandsuitkering en dat hij niet in staat is om een hoger inkomen te genereren. De man heeft die stelling betwist. Het hof oordeelt als volgt. Uit de door de man overgelegde inkomensspecificaties van maart, april en mei 2025 blijkt dat man in die maanden een Participatiewetuitkering van de Gemeente [plaats1] heeft ontvangen van € 961,04 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De man heeft daarnaast een salarisspecificatie overgelegd van [naam1] B.V. over de maand mei
- Het hof acht de verklaring van de man dat hij die maand heeft geprobeerd om te werken, maar dat hem dat na mei 2025 niet meer is gelukt, voldoende aannemelijk geworden. Die verklaring vindt ondersteuning in de door de man overgelegde schriftelijke verklaring van 23 oktober 2025, waarin de Directeur Werk van de gemeente [plaats1] de man meedeelt dat de man, op basis van de met hem op 20 juni 2025 gemaakte afspraken, tot en met 20 juni 2027 een ontheffing van de sollicitatieplicht heeft, wat inhoudt dat hij tot genoemde datum niet hoeft te solliciteren vanwege medische redenen. Uit het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de man vanwege zijn medische situatie niet in staat is om een hoger inkomen te genereren dan het eerdergenoemde Participatiewet-inkomen. De draagkracht 5.4 Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (de Expertgroep) berekent de rechter de door een ouder te betalen kinderalimentatie aan de hand van het Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) van die ouder, door middel van de volgende formule: 70%[NBI -/- (NBI x 0,3 + 1.310)]. In genoemde formule wordt rekening gehouden met 30% van het NBI dat maandelijks aan woonlasten kan worden uitgegeven en met een bedrag van € 1.310,- dat per maand kan worden besteed aan de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. De som van die bedragen mag in mindering worden gebracht op het NBI, waarna van de uitkomst 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. De Expertgroep heeft ook bepaald dat genoemde formule gebruikt kan worden bij een NBI van € 2.125,- of hoger per maand, dat bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- vaste draagkrachtbedragen gelden en dat bij een NBI, lager dan € 1.875,- maandelijks een minimum draagkracht geldt van € 25,- voor één kind en € 50,- voor twee of meer kinderen. 5.5 Het hof is van oordeel dat uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat, gelet op het inkomen van de man van € 961,04 netto per maand en op de omstandigheid dat hij vanwege medische redenen niet in staat is om op dit moment een hoger inkomen te genereren, de hiervoor in rechtsoverweging 5.
- genoemde formule niet kan worden gebruikt voor de berekening van zijn draagkracht. Omdat het inkomen van de man lager is dan € 1.875,- moet worden uitgegaan van een draagkracht van de man van de voor die inkomenssituatie vastgestelde bedragen van € 25,- per maand voor één kind en € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. Het hof komt in dat geval niet toe aan de beoordeling van de stelling van de vrouw dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van de man om zijn woonlasten te delen met zijn partner. Wat daar ook van zij: uit de overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat de uitkering van de man al is gekort in verband met zijn mogelijkheid om kosten te delen met een huisgenoot. Als alleenstaande zou de man in 2025 recht hebben op een bijstandsuitkering van € 1.604,93 netto per maand inclusief vakantietoeslag. Ook in dat geval zou de genoemde draagkrachtformule niet gebruikt kunnen worden en zou de draagkracht van de man niet hoger zijn. 5.6 Het hof zal, in overeenstemming met de stelling van de vrouw, de draagkracht van de man verdelen onder [minderjarige1] en [minderjarige2] omdat de man niet heeft aangetoond wat de behoefte is van [kind2] , die in het buitenland woont, en welke bijdrage hij maandelijks voor [kind2] betaalt. Hierbij houdt het hof rekening met de betwisting door de vrouw dat de man een onderhoudsbijdrage voor [kind2] betaalt. Het voorgaande komt erop neer dat het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van 5 maart 2025 zal vaststellen op € 25,- per kind per maand en, na toepassing van het wettelijke indexeringspercentage van 4,6, met ingang van 1 januari 2026 op € 26,15 per kind per maand. De bestreden beschikking zal op dit punt worden vernietigd. 5.7 Het hof zal, nu partijen met elkaar getrouwd zijn geweest en de procedure gaat over hun kinderen, de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2025, voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige1] en [minderjarige2] is vastgesteld en in zoverre opnieuw beschikkende: wijzigt de genoemde bijdrage, zoals die was vastgesteld in de beschikking van 9 juni 2022, en stelt die bijdrage met ingang van 5 maart 2025 vast op € 25,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 26,15 per kind per maand; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 22 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.