← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:390

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/308 uitspraakdatum: 20 januari 2026 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 december 2023, nummer ARN 22/4268, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 185,
  2. 1.
  3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. 1.
  4. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  6. Belanghebbende heeft een zevental nadere stukken ingediend. 1.
  7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus
  8. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, de deskundige (tevens zoon) van belanghebbende, mr. [naam1] en namens de heffingsambtenaar [naam2] , bijgestaan door mr. [naam3] . 1.
  9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2Vaststaande feiten 2.
  10. Belanghebbende had gedurende het gehele jaar 2020 zijn hoofdverblijf in de woonplaats [woonplaats] , gemeente [gemeente1] . 2.
  11. Belanghebbende heeft aanvankelijk in een deel van het jaar 2020 een stacaravan in de gemeente [gemeente2] aangehouden. Deze stacaravan heeft belanghebbende en zijn gezin in 2020 meer dan 90 dagen ter beschikking gestaan. Door de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente2] is aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag forensenbelasting opgelegd welke door belanghebbende is betaald. 2.
  12. Na verkoop van de in 2.1 bedoelde stacaravan, heeft belanghebbende in de loop van 2020 een nieuwe stacaravan gekocht welke hij aanhield in de gemeente Barneveld. Deze nieuwe stacaravan in Barneveld heeft belanghebbende en zijn gezin in 2020 vanaf 24 juli, en derhalve eveneens meer dan 90 dagen, ter beschikking gestaan. 2.
  13. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 november 2021 aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting van de gemeente Barneveld opgelegd van € 185,
  14. 2.
  15. Artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet (hierna: Gemw) luidt: “Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.” 2.
  16. De Verordening forensenbelasting 2020 (hierna: de Verordening) van de gemeente Barneveld bepaalt onder meer: “Artikel
  17. Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel
  18. Belastbaar feit en belastingplicht
  19. Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
  20. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. (…) Artikel
  21. Maatstaf van heffing
  22. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken en waarvoor op grond van hoofdstuk IV van die Wet voor die onroerende zaak een waarde is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de voor die onroerende zaak vastgestelde waarde, zoals die geldt voor het belastingjaar.
  23. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel e. van de Wet waardering onroerende zaken, of indien de woning geen deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, de belasting geheven naar een vast bedrag per woning. Artikel
  24. Belastingtarief
  25. In geval van artikel 4 eerste lid bedraagt het tarief van de belasting bij een heffingsmaatstaf van: a. € 70.000,- of minder € 185,30; b. Meer dan € 70.000,- € 185,30 vermeerderd met 0,83% van het bedrag waarmee de heffingsmaatstaf een bedrag van € 70.000,- te boven gaat. Met dien verstande dat per woning een maximumbedrag geldt van € 966,00;
  26. In geval van artikel 4 tweede lid, bedraagt het tarief van de belasting € 185,
  27. Artikel
  28. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel
  29. Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel
  30. Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.” 3Geschil 3.
  31. In geschil is de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2020 terecht en tot het juiste bedrag een aanslag forensenbelasting heeft opgelegd hetgeen belanghebbende bestrijdt. Tevens verzoekt belanghebbende een ruime vergoeding van de overheid voor de geleden immateriële schade als klokkenluider. 3.
  32. De heffingsambtenaar daarentegen is van oordeel dat die aanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende werd opgelegd en dat er geen grond bestaat voor toekenning van de door belanghebbende gevraagde schadevergoeding. 3.
  33. Ter onderbouwing van zijn stellingen voert belanghebbende onder meer aan dat: - de Verordening, in navolging van artikel 223 van de Gemw, onderscheid maakt tussen inwoners en niet-inwoners van de gemeente Barneveld welk onderscheid dient te worden getoetst aan de discriminatieverboden van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, waaruit volgt – zo begrijpt het Hof belanghebbende – dat het door de Verordening gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd is; - belanghebbende met het opleggen van de onderhavige aanslag wordt geconfronteerd met dubbele lasten hetgeen onrechtmatig en oneigenlijk is omdat, ingevolge artikel 6 van de Verordening, het ene belastingjaar 2020 wordt gedeeld door de gemeenten [gemeente2] en Barneveld hetgeen betekent dat de beide gemeenten slechts recht hebben op hun werkelijke tijdsaandeel van hun wettig vastgestelde basis(jaar)tarief; - slechts met een tijdsevenredige toepassing van de 90-dagenregeling in de Verordening recht wordt gedaan aan de situatie van belanghebbende. 3.
  34. De heffingsambtenaar bestrijdt de stellingen van belanghebbende onder meer met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:
  35. 4Beoordeling van het geschil 4.
  36. De Rechtbank heeft over het geschil onder meer overwogen en geoordeeld als volgt: “
  37. De rechtbank overweegt dat het in de wet en verordening opgenomen criterium van 90 dagen per jaar ertoe strekt de band tussen de natuurlijke persoon en het grondgebied van de heffingsambtenaar tot uitdrukking te brengen. Deze 90 dagen is de minimumdrempel voor de heffing van de forensenbelasting. Indien aan deze minimum eis wordt voldaan staat het de heffingsambtenaar vrij forensenbelasting te heffen naar de door haar bepaalde grondslagen en tarieven. Er is dan ook geen sprake van oneigenlijk gebruik van de 90-dagen regel. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende heeft opgelegd. (…)
  38. Belanghebbende betoogt dat artikel 223 van de Gemeentewet in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Door gemeenten de vrijheid te geven bij het heffen van forensenbelasting is sprake van willekeur en leidt dat tot dubbele heffing. Door het heffen van forensenbelasting wordt belanghebbende gediscrimineerd ten opzichte van de ingezetene van de gemeente waardoor volgens hem ook sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bij verhuizing van de ene naar de andere gemeente worden de gemeentelijke heffingen en belastingen wel verrekend. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat de forensenbelasting in strijd is met het Europese recht. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd met uitspraken.
  39. Naar het oordeel van de rechtbank is de forensenbelasting niet in strijd met artikel 14 van het EVRM. De heffingsambtenaar maakt in de verordening onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners en dit stemt overeen met het onderscheid zoals opgenomen in artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet. Het onderscheid kan niet worden getoetst aan de Grondwet (…) maar kan wel worden getoetst aan de discriminatieverboden zoals opgenomen in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Aan de formele en gemeentelijke wetgever komt een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van gelijke gevallen en of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om (naar gesteld) gelijke gevallen in verschillende zin te regelen. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van de redelijke grond is ontbloot. Het bij de forensenbelasting door de formele en gemeentelijke wetgever gemaakte onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners valt binnen de beoordelingsvrijheid gelet op de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de financiële-verhoudingswet ontvangt uit het gemeentefonds.
  40. Voor zover belanghebbende zich beroept op strijd met het Verdragsrechtelijke evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat het doel van de forensenbelasting is, het genereren van inkomsten voor de overheid, in dit geval de gemeente [gemeente2] en de gemeente Barnveld. Van de forensen wordt een bijdrage in de uitgaven van de gemeente gevorderd. Het nadeel dat hierdoor ontstaat voor woonforensen is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig in verhouding tot het met de heffing van forensenbelasting nagestreefde doel.” 4.
  41. Het Hof acht die oordelen en overwegingen juist en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop merkt het Hof op dat – anders belanghebbende stelt – de omstandigheid dat artikel 8 Tabel B van de Financiële verhoudingswet, voor het bepalen van bijdragen uit het Gemeentefonds naast het aantal inwoners van een gemeente tevens rekening houdt met andere factoren, niet maakt dat de bijdrage die een gemeente uit het gemeentefonds ontvangt niet ‘mede’ afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en woonforensen daarbij niet tot de inwoners worden gerekend (vgl. Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, r.o. 3.6, slot). Verder overweegt het Hof dat belanghebbende ook ter zitting van het Hof geen jurisprudentie heeft vermeld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de forensenbelasting in strijd is met het Europese recht. 4.
  42. De stelling van belanghebbende dat uit artikel 6 van de Verordening volgt dat belanghebbende slechts naar tijdsevenredigheid forensenbelasting aan de gemeente Barneveld zou zijn verschuldigd, acht het Hof onjuist. Het is iedere gemeente die op de voet van artikel 223 Gemw voor een zeker jaar een verordening forensenbelasting heeft vastgesteld, toegestaan om op basis van die verordening een eigen aanslag forensenbelasting vast te stellen en op te leggen, zonder rekening te houden met de eventuele omstandigheid dat een belastingplichtige ook in een andere gemeente is onderworpen aan een forensenbelasting aldaar. Immers, voor iedere gemeente geldt dat de bijdrage die de gemeente uit het gemeentefonds ontvangt mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente waarbij woonforensen niet tot de inwoners worden gerekend. 4.
  43. Hetgeen belanghebbende nog overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. 4.
  44. Belanghebbende heeft in hoger beroep voorts verzocht om een vergoeding van immateriële schade, bij een overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelt vast dat gelet op de datum van het hogerberoepschrift (16 januari 2024) en deze uitspraak (20 januari 2026), de redelijke termijn van twee jaar in hoger beroep is overschreden. Aangezien de redelijke termijn van twee jaar echter pas na 14 juni 2024 is overschreden, met minder dan twaalf maanden is overschreden en het belang in hoger beroep minder dan € 1.000 bedraagt (zie 1.1.), volstaat het Hof met de constatering dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval geen vergoeding van immateriële schade ontvangt. Dit neemt niet weg dat het Hof het vervelend vindt dat het meer dan twee jaar heeft geduurd om uitspraak in de zaak van belanghebbende te doen. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof acht geen gronden aanwezig voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe. (J. Hollander) (J. van de Merwe) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  45. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.