GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.356.336/01 CJIB-nummer : 259155785 Uitspraak d.d. : 5 februari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 190,- voor: “Doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 juni 2023 om 01:05 uur op de Jan Evertsenstraat (op de kruising met de Hoofdweg) in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
- De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent en dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De betrokkene stelt dat de ambtenaar geen rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht en op zodanige afstand en in tegengestelde richting van het verkeerslicht stond dat twijfel bestaat of hij heeft kunnen zien dat het licht aan de kant van de betrokkene op rood stond. Uit het arrest van het hof van 13 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4941) volgt dat bij een tegengestelde rijrichting de ambtenaar moet vaststellen dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest, voordat een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd en dat hij daarbij ook moet vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld. De ambtenaar verklaart hierover tegenstrijdig, nu hij eerst verklaart dat hij direct zicht had en vervolgens dat hij via de weerspiegeling van een gebouw heeft gezien dat het verkeerslicht op rood stond. Gelet op wat de betrokkene heeft aangevoerd bestaat aldus reden tot twijfel aan de verklaring van de ambtenaar, zodat de vaststelling van de gedraging via een weerspiegeling, anders dan in het door de kantonrechter aangehaalde arrest van het hof van 27 juli 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:7240), volgens de gemachtigde in dit geval onvoldoende is.
- De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in: “Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 15,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruispunt. Ik zag namelijk in de weerspiegeling van het gebouw dat het verkeerslicht rood was.”
- Naar het oordeel van het hof is geen sprake van tegenstrijdigheden in de verklaring van de ambtenaar. De ambtenaar verklaart dat hij rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht en zag dat het op rood stond toen de betrokkene dit licht passeerde en geeft in diezelfde verklaring meer specifiek aan dat hij via een weerspiegeling van een gebouw zag dat het verkeerslicht rood was. De ambtenaar heeft dus een nadere uitleg gegeven over de wijze waarop hij heeft gezien dat het verkeerslicht rood uitstraalde. Deze toelichting past ook bij de situatie zoals deze volgens de betrokkene was, namelijk dat de ambtenaar in tegenovergestelde richting van het verkeerslicht stond, waarop de ambtenaar direct zicht had en waar op dat moment het licht groen uitstraalde. Het hof ziet dus geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. De vraag is vervolgens of deze waarneming voldoende is om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht.
- Door de gemachtigde is gewezen op het arrest van het hof van 13 juni 2016, waarin is geoordeeld dat in een situatie waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd. Anders dan in die zaak en overeenkomstig de zaak van het arrest van het hof van 27 juli 2021, heeft de ambtenaar in de onderhavige zaak verklaard dat hij via de weerspiegeling van een gebouw heeft gezien dat het voor de betrokkene geldende licht rood uitstraalde. Evenals in de zaak van dat laatste arrest is het hof in deze zaak van oordeel dat aan die waarneming niet afdoet dat deze via reflectie is waargenomen, zodat genoegzaam kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
- Gelet op het vorenstaande is het beroep terecht ongegrond verklaard en wordt de beslissing van de kantonrechter bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.