GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.355.802/01 CJIB-nummer : 264875118 Uitspraak d.d. : 10 februari 2026 Beschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 9 april 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beschikking van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een op28 oktober 2024 uitgevaardigd dwangbevel gegrond verklaard. De kantonrechter heeft bepaald dat het door de betrokkene betaalde griffierecht zal worden terugbetaald en dat de opgelegde verhogingen van de sanctie door de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) ongedaan worden gemaakt. Het verloop van de procedure De Minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. De Minister heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De betrokkene heeft daarop gereageerd. De beoordeling
- De kantonrechter heeft het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gegrond verklaard. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat hij van oordeel is dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de beschikking waarbij de boete is opgelegd (de sanctiebeschikking) en de aanmaningen niet heeft ontvangen, door een omstandigheid die niet voor haar rekening en risico komt. De betrokkene heeft een gemotiveerde alternatieve verklaring gegeven, zo overweegt de kantonrechter verder, en het staat vast dat eerdere post van het CJIB niet op haar adres was bezorgd en dat de betrokkene hierover contact heeft gehad met het CJIB. De ontvangst van de stukken is daarmee geloofwaardig betwist.
- De Minister voert aan dat de kantonrechter hiermee heeft miskend dat het voor risico van de betrokkene dient te komen dat, zoals de betrokkene stelt, de aan de betrokkene verzonden poststukken haar niet hebben bereikt als gevolg van het feit dat de post met enige regelmaat op het verkeerde adres wordt bezorgd. Uit wat de betrokkene in verzet heeft aangevoerd valt op te maken dat het door de betrokkene gestelde probleem met de postbezorging al jarenlang voortduurt. Het ligt op de weg van de betrokkene om een voorziening te treffen om de post goed te kunnen ontvangen. In een andere zaak van de betrokkene (met CJIB-nummer 253596548) heeft het CJIB, in het kader van een pilot, in 2023 telefonisch contact opgenomen met de betrokkene. De betrokkene heeft, ondanks het advies van het CJIB verzuimd om de PostNL-app te raadplegen. De betrokkene heeft ook, ondanks adviezen, geen klacht ingediend bij PostNL over de postbezorging. Het is aan de betrokkene om maatregelen te treffen, zodat de voor haar bestemde poststukken haar wel – tijdig – bereiken. Het achterwege blijven daarvan moet dan ook voor rekening en risico van de betrokkene komen.
- De betrokkene blijft bij haar standpunt dat zij de sanctiebeschikking en de aanmaningen niet heeft ontvangen. De betrokkene heeft in verzet bij de kantonrechter aangevoerd dat zij in een monumentaal pand in de binnenstad van [woonplaats] woont. De panden onder en naast haar woning staan leeg. De betrokkene heeft direct contact opgenomen met het CJIB na het ontvangen van een brief van de deurwaarder (het hof begrijpt: afschrift van uitreiking dwangbevel). Het is al eens eerder gebeurd dat een rekening (het hof begrijpt: een sanctiebeschikking) niet goed ontvangen is. Het CJIB heeft toen netjes gebeld en haar van de situatie op de hoogte gesteld, waarna de betrokkene meteen heeft betaald. Nu is dat niet het geval en is deze onschuldige boete uitgelopen tot een buitensporig bedrag. Na het telefoongesprek met het CJIB heeft de betrokkene de propvolle brievenbus naast die van haar tot zo ver zij kon leeg getrokken. De betrokkene vond daar alleen de laatste beschikking van het CJIB (het hof begrijpt: de tweede aanmaning). De betrokkene heeft dit op de zitting van de kantonrechter toegelicht.
- Als de ontvangst van de sanctiebeschikking wordt betwist, dan moet aan met het oog op artikel 26 van de Wahv worden onderzocht of de beschikking wel onherroepelijk is geworden. Dat is het geval wanneer blijkt dat de betrokkene de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel niet heeft ontvangen als gevolg van een hem toe te rekenen omstandigheid. Hoewel het aan de Minister is om aannemelijk te maken dat van één van deze situaties sprake is, mag van een betrokkene wel worden verwacht dat hij of zij niet alleen ontkent dat hij of zij de beschikking (en de aanmaningen) heeft ontvangen, maar die stelling ook met zoveel mogelijk gegevens onderbouwt.
- Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt is het aan de geadresseerde om op een niet-ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het poststuk wel is ontvangen.
- Uit het zaakoverzicht dat zich in het dossier bevindt blijkt dat de sanctiebeschikking op 26 maart 2024 aan de betrokkene is toegestuurd. Op 10 juni 2024 is een eerste aanmaning toegestuurd en op 29 juli 2024 een tweede aanmaning. Deze poststukken zijn niet onbestelbaar retour ontvangen. Het CJIB verzorgt de verzending van deze poststukken. In het arrest van 26 augustus 2020 heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Op basis van het zaakoverzicht van het CJIB mag worden aangenomen dat de sanctiebeschikking en de aanmaningen daadwerkelijk zijn verstuurd.
- De betrokkene heeft ontkend de sanctiebeschikking en de daarop volgende aanmaningen te hebben ontvangen. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat de betrokkene de ontvangst van deze stukken op niet-ongeloofwaardige wijze heeft betwist. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij eerst op de hoogte is gekomen van de sanctie en de aanmaningen na het ontvangen van het dwangbevel en dat zij toen zij dat dwangbevel ontving, uit de brievenbus die hoort bij de leegstaande woning onder haar woning, de tweede aanmaning heeft getrokken.
- Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden die maken dat het niet ontvangen van bedoelde stukken voor rekening van de betrokkene komt. Anders dan de Minister stelt is niet gebleken dat sprake is van een jarenlang probleem met de postbezorging ter plaatse. Dat in 2023 een brief van het CJIB niet door de betrokkene is ontvangen is onvoldoende om te kunnen spreken van dusdanige problemen met de postbezorging dat van de betrokkene mag worden verwacht dat zij een voorziening treft waardoor zij de poststukken wel krijgt. Met betrekking tot de stelling van de Minister dat de betrokkene, ondanks het door het CJIB gegeven advies, heeft nagelaten de app van PostNL te gebruiken overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat een burger erop mag vertrouwen dat de aan PostNL aangeboden, voor hem bestemde, post door PostNL (op het juiste adres) wordt bezorgd. Het voert te ver om van een burger te verlangen dat deze de app van PostNL gebruikt om te controleren of dit gebeurt en - indien blijkt dat dit niet het geval is - zich tot PostNL of de afzender van het poststuk wendt om te achterhalen waar het poststuk gebleven is respectievelijk om hernieuwde toezending van het poststuk te verzoeken. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien sprake is van een bij de burger reeds bekend en voortdurend probleem met de postbezorging ter plaatse. Daarvan is hier geen sprake. Dat de betrokkene, nadat in 2023 een van het CJIB afkomstig poststuk niet was aangekomen, door het CJIB is geadviseerd om de PostNL-app te gebruiken, maakt niet dat haar kan worden tegengeworpen dat zij de PostNL-app niet heeft gebruikt.
- Omdat de ontvangst van de sanctiebeschikking op niet-ongeloofwaardige wijze is betwist, is deze niet onherroepelijk geworden. Dat brengt mee dat de opgelegde verhogingen en het dwangbevel ten onrechte zijn uitgevaardigd. Gelet hierop heeft de kantonrechter het verzet terecht gegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:6346.