GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.335.527 zaaknummer rechtbank Gelderland 411136 arrest van 10 februari 2026 in de zaak van Jans Holding B.V. (Jans Holding) die is gevestigd in Dieren advocaat: mr. B. van Treijen en 1 [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] ) die woont in [woonplaats] 2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] ) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. S.H. van Loon 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Jans Holding heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 16 augustus 2023 in conventie tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het arrest van het hof van 23 januari 2024 het verslag (proces-verbaal) van plaatsopneming/bezichtiging en mondelinge behandeling ter plaatse van 23 april 2024 de memorie van grieven met wijziging van eis de memorie van antwoord het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2025 is gehouden en de daarin genoemde nadere stukken. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. Partijen zijn buren en hebben een geschil over de vraag wie op welke wijze van de aan elkaar grenzende erven gebruik mag maken. 2.2. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep tegen [geïntimeerde1] niet slaagt en dat het hoger beroep tegen [geïntimeerde2] voor een deel slaagt. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en beslist in aanvulling daarop. 3De procedure bij de rechtbank 3.1. De procedure bij de rechtbank is door Jans Holding ingesteld tegen [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] . [naam1] is in hoger beroep geen partij meer. 3.2. Jans Holding heeft bij de rechtbank gevorderd om I. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] te bevelen om hun zaken binnen 14 dagen na het vonnis van het erf van Jans Holding te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag, II. [geïntimeerde2] te verbieden om het erf van Jans Holding anders te gebruiken dan het komen en gaan vanuit zijn woning naar [straatnaam1] — daaronder mede begrepen het verbod om het erf van Jans Holding te gebruiken voor houtbewerking en om van zijn erf naar het erf van [adres1] te lopen — op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat het verbod overtreden wordt, III. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat Jans Holding uit hoofde van haar erfdienstbaarheidsrecht de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in de dat pad; IV. voorwaardelijk, voor zover de rechtbank de vordering onder III. niet zou toewijzen, het pad tussen de gevels van dg erven van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] aan te wijzen als noodweg ten dienste van het erf van Jans Holding, en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat Jans Holding de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in de dat pad, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] in de proceskosten. 3.3. De rechtbank heeft (samengevat) I. [geïntimeerde2] en [naam1] veroordeeld om hun roerende zaken van het erf van Jans Holding te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom, II. [geïntimeerde2] verboden om het erf van Jans Holding te gebruiken voor houtbewerking, III. Jans Holding veroordeeld om de proceskosten van [geïntimeerde1] te betalen, IV. [geïntimeerde2] en [naam1] hoofdelijk veroordeeld om de proceskosten van Jans Holding te betalen. De rechtbank heeft de overige vorderingen van Jans Holding en de vorderingen van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] afgewezen. De rechtbank heeft de overige vorderingen van Jans Holding afgewezen. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] hadden in reconventie diverse vorderingen ingesteld tegen Jans Holding die door de rechtbank zijn afgewezen en in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. 4De vorderingen in hoger beroep 4.1. Jans Holding heeft in hoger beroep haar eis (tegen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en: I. [geïntimeerde2] , te verbieden om het erf van Jans Holding anders te gebruiken dan het komen en gaan vanuit zijn woning naar [straatnaam1] – daaronder mede begrepen het verbod om het erf van Jans te gebruiken voor houtbewerking en om van zijn erf naar het erf van [adres1] te lopen – op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat het verbod wordt overtreden; en II. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen te binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden wegens het bestaan van een erfdienstbaarheidsrecht, zodat eiseres uit hoofde van haar erfdienstbaarheidsrecht de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in dat pad; en voorwaardelijk, voor het geval het pad volgens het hof niet over de breedte tussen de gevels onder het bereik van een erfdienstbaarheidsrecht zou vallen; III. het pad tussen de gevels van de erven van geïntimeerden aan te wijzen als noodweg ten dienste van het erf van Jans Holding en geïntimeerden te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen te binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat eiseres de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in dat pad; en zowel onvoorwaardelijk als voorwaardelijk, IV. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en daarbij [geïntimeerde1] te veroordelen tot terugbetaling van de ontvangen proceskostenveroordeling van € 1.510. 5De feiten waar het hof vanuit gaat 5.1. Jans Holding is sinds 30 maart 2017 eigenaar van het perceel met adres [adres2] , [perceelnummer1] . Jans Holding drijft een onderneming op het gebied van assessments, coaching en creatieve workshops. Zij gebruikt het pand aan [adres2] onder meer als atelier en werkplaats voor onder meer metaalbewerking. 5.2. [geïntimeerde1] is eigenaar van het perceel met adres [adres3] , [perceelnummer2] . [geïntimeerde2] is eigenaar van het perceel met adres [adres4] , [perceelnummer3] . [naam1] is eigenaar van het perceel met adres [adres5] , [perceelnummer4] . 5.3. Ter verduidelijking wordt hierna een deel van de kadastrale kaart met de perceelnummers en adresnummers weergegeven. Aan de rechterzijde van de afbeelding loopt [straatnaam1] . :·>:_; , 1 5.4. Aan de voorzijde van het pand van Jans Holding ligt een strook verhard erf, dat aansluit op de achterzijde van de erven van [geïntimeerde1] c.s. Op het perceel van Jans Holding zijn erfdienstbaarheden gevestigd op grond waarvan [geïntimeerde2] , [naam1] en de eigenaar van [adres1] over het erf van Jans Holding van en naar de openbare weg ( [straatnaam1] ) mogen gaan. 5.5. Het erf van Jans Holding heeft geen eigen verbinding met [straatnaam1] . Haar perceel is bereikbaar over het verharde deel van de erven van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] dat tussen de huizen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] loopt tot aan het erf van Jans Holding (hierna: het toegangspad). 5.6. De toegang tot de woning van [geïntimeerde1] (de voordeur) lag tot 1992 aan de zijkant van zijn woning en kwam toen uit op het toegangspad. Sinds 1992 ligt de toegang tot de woning van [geïntimeerde1] aan de kant van [straatnaam1] . [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben onder meer kleine hekjes, planten, afvalbakken en een houtopslag geplaatst aan de zijkant van hun woningen op het toegangspad. 5.7. Jans Holding heeft het perceel op 30 maart 2017 verkregen van [naam2] . [naam2] heeft het perceel in 1996 verkregen en vestigde daar zijn bedrijf Forrest Media Productions. Op het perceel van Jans Holding was voordat [naam2] de eigendom verkreeg een kringloopwinkel gevestigd. Met toestemming van [naam2] zijn [geïntimeerde2] en [naam1] een deel van het verharde erf aan de voorzijde van het perceel van (destijds) [naam2] gaan gebruiken voor het plaatsen van onder meer afvalbakken en fietsen. Verder heeft [geïntimeerde2] toestemming gekregen van de eigenaar van het perceel met adres [adres1] om het achterste deel van diens garage te gebruiken voor houtbewerking. De toegang tot dat deel van de garage ligt aan het verharde erf van het perceel van Jans Holding. 6De toelichting op de beslissing van het hof Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding 6.1. [geïntimeerde2] heeft er allereerst op gewezen dat in zijn ogen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen hem en [naam1] . Volgens [geïntimeerde2] had Jans Holding daarom ook [naam1] in hoger beroep moeten dagvaarden. Nu zij dat niet heeft gedaan, is Jans Holding volgens [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen, althans dient de vordering met betrekking tot de proceskosten buiten beschouwing te worden gelaten. 6.2. Het hof volgt [geïntimeerde2] hierin niet. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake, indien het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over die rechtsverhouding ten aanzien van alle betrokkenen hetzelfde luidt. Indien daarvan sprake is, moet het hof Jans Holding eerst de gelegenheid geven om [naam1] alsnog in dit hoger beroep te betrekken. Het hof kan Jans Holding niet direct niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. Het hof beslist echter dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat de rechtbank [geïntimeerde2] en [naam1] in 7.5 van het vonnis hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Jans Holding in conventie en dat Jans Holding in hoger beroep vordert dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Jans Holding in eerste aanleg, is onvoldoende grond om te beslissen dat van een processueel ondeelbare rechtsverhouding sprake is. Het is rechtens immers niet noodzakelijk dat een beslissing over de proceskosten voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Een redelijke uitleg van de vordering van Jans Holding zoals die in hoger beroep luidt, brengt mee dat de gevorderde veroordeling tot betaling van de proceskosten uit de eerste aanleg alleen betrekking heeft op dat deel dat niet reeds valt onder de tegen [naam1] uitgesproken proceskostenveroordeling. Geen misbruik van recht of strijd met de goede procesorde 6.3. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] stellen verder dat de eiswijziging in hoger beroep, in het bijzonder de gewijzigde vordering over de proceskosten in eerste aanleg, gelet op de in het vonnis in 7.1 en 7.5 uitgesproken veroordelingen misbruik van recht is, althans in strijd met de goede procesorde. 6.4. Gelet op de uitleg van de vordering in hoger beroep, zoals het hof die hiervoor gegeven heeft, is geen sprake van misbruik van recht of strijdigheid met de goede procesorde. Er rust geen erfdienstbaarheid op het perceel van [geïntimeerde1] 6.5. Jans Holding stelt dat er in een notariële akte uit 1884 ten laste van het perceel van [geïntimeerde1] en ten behoeve van het perceel van Jans Holding een erfdienstbaarheid is gevestigd. De tekst in de oorspronkelijke handgeschreven akte is moeilijk leesbaar en voor het hof niet eenduidig vast te stellen. Vast staat dat het Kadaster onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van erfdienstbaarheden en daarbij de tekst uit de akte van 1884 als volgt heeft vastgesteld: “De gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten zal evenals de pomp daarstaande gezamenlijk eigendom worden van verkooper en kooper en ten dienste van de beide blokken gebruikt worden en moeten door hen beide voor gezamenlijke rekening worden onderhouden. Die gang zal ook kunnen gebruikt worden voor het erf van verkooper thans in huur bij [naam3] .” Net zoals partijen, gaat het hof er vanuit dat dit de tekst van de akte uit 1884 weergeeft. 6.6. Het hof stelt het volgende voorop. Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard (art. 5:70 BW). Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van een bij notariële akte gevestigde erfdienstbaarheid aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte. 6.7. De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of er in de akte uit 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd. Het hof heeft dit met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2025. De tekst van de akte wijst er niet op dat is bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen. De beschreven gang tussen de twee blokken van straten en de daar staande pomp blijven volgens die akte immers gezamenlijk eigendom van de verkoper en koper, moeten door de verkoper en koper gezamenlijk onderhouden worden en de gang mag door hen beiden gebruikt worden. Een dergelijke omschrijving wijst meer op het creëren van mandeligheid, dan op het vestigen van een erfdienstbaarheid. Vervolgens is bepaald dat ook de eigenaar, althans huurder, van het perceel dat wordt gehuurd door [naam3] van de gang gebruik mag maken. Onduidelijk is of hiermee is bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen of een persoonlijk gebruiksrecht te beschrijven. Welk perceel ten tijde van het opmaken van deze akte door [naam3] werd gehuurd is niet duidelijk. Maar ook als dat het perceel was, dat nu van Jans Holding is en als in de akte bedoeld is een erfdienstbaarheid ten behoeve van dat perceel te vestigen, is onduidelijk ten laste van welke (huidige) percelen die erfdienstbaarheid dan is gevestigd. 6.8. Jans Holding erkent dat de percelen [adres2] , [adres4] , [adres5] en [adres1] tot 1978 dezelfde eigenaar hadden. In 1978 is vervolgens perceel [adres4] verkocht aan de rechtsvoorganger van [geïntimeerde2] en dat was de reden om op het perceel van [geïntimeerde2] een erfdienstbaarheid ten behoeve van perceel [adres2] te vestigen. Ook als er in 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd op het perceel [adres4] ten behoeve van perceel [adres2] , is die erfdienstbaarheid op enig moment door vermenging teniet gegaan toen de percelen [adres2] en [adres4] dezelfde eigenaar kregen. Op de inhoud van de in 1978 gevestigde erfdienstbaarheid komt het hof hierna terug. 6.9. Volgens [geïntimeerde1] mag Jans Holding op grond van een persoonlijk recht gebruik maken van een gedeelte van zijn perceel, bestaande uit een strook over de gehele lengte van het pad van twee stoeptegels van ieder 30x30 cm vanuit het midden van het pad. De door [geïntimeerde1] in het toegangspad geplaatste zaken staan dit gebruik niet in de weg. [geïntimeerde1] betwist dat op zijn perceel een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het perceel van Jans Holding. Voor zover er in 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van wat nu zijn perceel is en ten behoeve van de eigenaar van wat nu het perceel is van Jans Holding, is die erfdienstbaarheid volgens [geïntimeerde1] bedoeld om te komen en te gaan naar de waterpomp die daar destijds stond. In die tijd was het gezamenlijk gebruiken van een waterpomp nog gangbaar. Die waterpomp is in 1920 op grond van landelijk beleid weggehaald. Vervolgens kon de erfdienstbaarheid niet meer worden gebruikt en is die rond 1950 teniet gegaan. Dit wordt volgens [geïntimeerde1] bevestigd door de brief van het Kadaster van 24 augustus 2022. 6.10. Het hof beslist dat op het perceel van [geïntimeerde1] geen erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van Jans Holding is gevestigd. Het hof heeft uitvoerig met partijen gesproken over de historie van de percelen en de daarop gebouwde opstallen, maar voor het hof is niet voldoende duidelijk dat met “de gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten” het toegangspad is bedoeld dat nu tussen de woning van [geïntimeerde1] en de woning van [geïntimeerde2] ligt. Evenmin is aan de hand van de stukken te herleiden dat “het erf van verkooper thans in huur bij [naam3]” hetzelfde is als het perceel van Jans Holding. In ieder geval heeft Jans Holding tegenover het verweer van [geïntimeerde1] onvoldoende onderbouwd dat in die akte een erfdienstbaarheid is gevestigd die ertoe strekt aan de eigenaar van het perceel dat nu van Jan Holding is het zakelijk recht te verschaffen om over een gedeelte van het perceel van [geïntimeerde1] te komen en te gaan van en naar [straatnaam1] . Daarbij is van belang dat [geïntimeerde1] heeft gesteld dat – zo er al een erfdienstbaarheid is gevestigd – het doel daarvan was om de bestaande waterpomp te kunnen gebruiken en dat die erfdienstbaarheid door die niet te gebruiken gedurende 30 jaar onder het destijds geldende recht is teniet gegaan. Jans Holding heeft onvoldoende uitgelegd dat de tekst van de akte uit 1884 ziet op het kunnen uitwegen naar [straatnaam1] en niet op het kunnen gebruiken van de waterpomp. Jans Holding heeft ook niet onderbouwd op welke manier er na de akte van 1884 ten laste van het perceel van [geïntimeerde1] een erfdienstbaarheid van (uit)weg of (over)pad is gevestigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Jans Holding gesteld dat een dergelijke erfdienstbaarheid is ontstaan door bevrijdende verjaring. Aan die stelling gaat het hof voorbij, omdat die stelling in strijd met de zogenoemde twee-conclusie-regel niet eerder dan bij de mondelinge behandeling op 6 mei 2025 is ingenomen. Omdat Jans Holding onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof niet toe aan bewijslevering. 6.11. Jans Holding heeft onvoldoende betwist dat de door [geïntimeerde1] in het toegangspad geplaatste zaken het gebruik van de eerste 60 cm van het perceel van [geïntimeerde1] vanaf de erfgrens met [geïntimeerde2] niet verhinderen. Omdat er geen erfdienstbaarheid op het perceel van [geïntimeerde1] rust is er onder die omstandigheden geen grond voor toewijzing van de vordering tot ontruiming van het toegangspad tegen [geïntimeerde1] . De omvang van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust ten behoeve van het perceel van Jans Holding 6.12. Voor zover Jans Holding stelt dat in de akte uit 1884 ten behoeve van haar perceel een erfdienstbaarheid om te komen en te gaan naar [straatnaam1] is gevestigd ten laste van het perceel van [geïntimeerde2] , welke erfdienstbaarheid loopt over het toegangspad tussen de woning van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] , volgt uit de beslissing die het hof hiervoor in 6.10 heeft gegeven dat een dergelijke erfdienstbaarheid niet uit die akte is af te leiden. De daar namens [geïntimeerde1] vermelde argumenten worden namelijk ook door [geïntimeerde2] aangevoerd. 6.13. Jans Holding en [geïntimeerde2] zijn het erover eens dat er in 1978 op hun percelen een erfdienstbaarheid is gevestigd die luidt: "Een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte en ten behoeve en ten laste van het aan verkoper in eigendom verblijvende deel van gemeld perceel kadastraal bekend (..) nummer [perceelnummer5] alsmede (..) [perceelnummer6] om te komen van en te gaan naar de openbare weg: [straatnaam1] , op de thans bestaande wijze.” In de notariële akte is in de eerste zin van de opgenomen erfdienstbaarheid het woord “weg” doorgehaald en is in de kantlijn handgeschreven opgenomen dat dit woord wordt vervangen door het woord “pad”. 6.14. Gegeven het oordeel van het hof dat op het perceel van [geïntimeerde1] geen erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van Jans Holding rust, kan het pad waarop de erfdienstbaarheid ziet die in 1978 is gevestigd, niet breder zijn dan ongeveer 1,20 meter, namelijk vanaf de zijgevel van de woning van [geïntimeerde2] tot aan de erfgrens van zijn perceel die in het midden van de gang tussen de woning van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] loopt. Dit feitelijk gegeven betekent dat Jans Holding niet op grond van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust gebruik kan maken van het toegangspad met een auto of ander voertuig dat breder is dan 1,20 meter. Het doorhalen van het woord “weg” en het vervangen daarvan door het woord “pad” sluit daar naar het oordeel van het hof ook bij aan. Of bij het vestigen van de erfdienstbaarheid ook de bedoeling van de destijds betrokken partijen was dat daarmee werd aangegeven dat de erfdienstbaarheid niet bedoeld was om te worden gebruikt met auto’s en andere voertuigen en – vooral – of die betekenis op basis van een objectieve uitleg van de vestigingsakte uit de tekst van de erfdienstbaarheid blijkt, kan op grond van de feitelijke situatie in het midden blijven. Gebruik van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust is niet mogelijk met een (bestel)auto of aanhangwagen, omdat die breder zijn dan 1,20 meter. Dat gebruik met een handkar is toegestaan betwist [geïntimeerde2] niet (voldoende). 6.15. [geïntimeerde2] erkent dat de in 1978 gevestigde erfdienstbaarheid Jans Holding het recht geeft om het toegangspad te gebruiken voor zover dat op zijn perceel ligt. Dit houdt in het (gedeelte van het) toegangspad dat loopt vanaf de erfgrens met [geïntimeerde1] tot aan de gevel van zijn woning en vervolgens achter zijn woning doorloopt tot aan de achterzijde van zijn perceel. Volgens [geïntimeerde2] is dit gedeelte ongeveer 1,20 meter breed (vier stoeptegels van 30x30 cm). [geïntimeerde2] stelt dat hij dit recht in overleg met alle betrokken partijen heeft verlegd naar het midden van de gang tussen de woningen. Het hof beslist dat [geïntimeerde2] niet de op zijn perceel rustende erfdienstbaarheid kan verleggen naar een erfdienstbaarheid die deels op het perceel van [geïntimeerde1] rust. Daar bestaat geen wettelijke grondslag voor. 6.16. [geïntimeerde2] stelt ook dat de erfdienstbaarheid gedurende meer dan 20 jaar is uitgeoefend door gebruik te maken van een strook grond van 1,20 meter in het midden van de gang tussen zijn woning en de woning van [geïntimeerde1] . Dat betekent volgens [geïntimeerde2] dat de op zijn perceel ten behoeve van het perceel van Jans Holding rustende erfdienstbaarheid in de gang tussen de woningen is beperkt tot twee stoeptegels (van 2 x 30
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.