← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:820

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummers gerechtshof 200.361.987/01 en 200.361.987/02 zaaknummer rechtbank Gelderland 455892 beschikking van 12 februari 2026 over de uithuisplaatsing van [minderjarige] in de zaak van [verzoeker] (de vader) die woont op een geheim adres advocaat: mr. M.J.R. Roethof en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI) die is gevestigd in Amsterdam en [belanghebbende] (de moeder) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. C. Huy 1Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen van 18 september 2025 tot 1 februari

  1. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.
  2. De ouders hebben samen drie kinderen waarvan [minderjarige] de jongste is. [minderjarige] is geboren [in] 2014 in [geboorteplaats] . 2.
  3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.
  4. [minderjarige] staat onder toezicht van de GI. [minderjarige] woonde voor de uithuisplaatsing bij haar moeder. Op 21 augustus 2025 is zij geplaatst op een crisisplek. Begin december 2025 is zij naar een kleinschalige woongroep gegaan. 3De procedure bij de kinderrechter 3.
  5. De GI heeft de kinderrechter op 21 augustus 2025 verzocht [minderjarige] met spoed uit huis te mogen plaatsen. De kinderrechter heeft dit verzoek op diezelfde datum toegewezen en een machtiging voor de duur van vier weken afgegeven. 3.
  6. In de beschikking van 3 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [minderjarige] uit huis te plaatsen van 18 september 2025 tot 1 februari 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 4De procedure bij het hof 4.
  7. De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij verzoekt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Daarnaast wil hij dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst. Hij verzoekt het hof subsidiair om een deskundige te benoemen om te onderzoeken of [minderjarige] bij de vader kan wonen. Meer subsidiair verzoekt hij om de duur van de uithuisplaatsing te verkorten. Ook verzoekt hij de GI in de proceskosten voor beide instanties te veroordelen. 4.
  8. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. 4.
  9. De moeder is het eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.
  10. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing; een brief van mr. Huy met producties; het verweerschrift van de GI; de e-mail van mr. Roethof van 7 januari 2026 met een productie. de brief van de raad van 9 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting. 4.
  11. [minderjarige] heeft op 5 januari 2026 (digitaal via Teams) gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. 4.
  12. De zitting bij het hof was op 8 januari
  13. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat (beiden digitaal via Teams); twee vertegenwoordigers van de GI; de moeder met haar advocaat. 5Het oordeel van het hof In de zaak met zaaknummer 200.361.987/02 (het schorsingsverzoek) 5.
  14. De vader heeft zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de kinderrechter op de zitting ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de vader de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek. In de zaak met zaaknummer 200.361.987/02 (de hoofdzaak) Wat staat in de wet? 5.
  15. De kinderrechter kan een machtiging geven om kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van kinderen of voor onderzoek van kinderen. Hoe oordeelt het hof? 5.
  16. De machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] liep tot 1 februari 2026 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven. 5.
  17. Uit de toelichting die de vader heeft gegeven op zijn verzoek om de uithuisplaatsing van [minderjarige] ongedaan te maken, blijkt dat de vader wil dat [minderjarige] bij hem komt wonen. Dit doel kan echter niet worden bereikt met het hoger beroep van de vader. Vast staat dat toen [minderjarige] uit huis werd geplaatst, zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had. Dit betekent dat als het hof de beslissing over de uithuisplaatsing zou vernietigen, [minderjarige] bij de moeder had moeten blijven wonen. Dat [minderjarige] niet bij de moeder kon wonen staat verder niet ter discussie. De moeder vindt het jammer en verdrietig dat [minderjarige] uit huis is geplaatst, maar zij legt uit dat die uithuisplaatsing nodig was. De vader zegt dat het niet goed ging met [minderjarige] bij de moeder en dat [minderjarige] daar niet kon wonen. Er bestaat er dan ook geen verschil van mening tussen partijen over de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing (vanuit moeder) nodig was. Dit betekent ook dat de verzoeken van vader in hoger beroep al daarop stranden en het hof aan een verdere inhoudelijke beoordeling op basis van een rechtsmatigheidstoets niet toekomt. Om de hiervoor genoemde redenen komt het hof ook niet aan het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vader toe. 5.
  18. Het hof zal de verzoeken van de vader daarom afwijzen en de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing van [minderjarige] in stand laten (bekrachtigen). 5.
  19. Deze procedure gaat over (de uithuisplaatsing van) het kind van de vader en de moeder. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep daarom compenseren, in die zin dat de vader, de moeder en de GI ieder hun eigen kosten moeten betalen. 6De beslissing Het hof: in de zaak met zaaknummer 200.361.987/02 verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep; in de zaak met zaaknummer 200.361.987/01 bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 september 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ; wijs het meer of anders verzochte af; compenseert de proceskosten. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, R. Feunekes en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari
  20. artikel 1:265b lid 1 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.