GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.354.934 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 571420) beschikking van 19 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] (de man) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. E.N. Mulder en [verweerster] (de vrouw) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. M.V. Scheffer. 1Samenvatting De rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 februari 2025 bepaald dat de man aan de vrouw: a.
(2012). Uitgangspunt bij het bepalen van de kinderalimentatie is geweest dat de vader, met uitsluiting van de moeder, de hypothecaire lasten met daaraan gekoppeld de levensverzekeringen ( [naam2] ), de gebruikerslasten en eigenaarslasten verbonden aan het gezamenlijke eigendom van de woning (…) betaalt en de eventuele restschuld bij verkoop van de woning aan de vader zal worden toegescheiden. De moeder betaalt de helft van haar eigen premie levensverzekering van € 51,- per maand. Op basis van voormelde gegevens en uitgangspunten zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de vader een bedrag van € 139,- per kind per maand aan de vrouw zal voldoen, telkens bij betaling aan het eind van de maand en zulks met ingang van 1 juni 2013. Tegelijk met de betaling van de kinderalimentatie zal de man maandelijks aan de vrouw de helft van de door haar te betalen premie levensverzekering betalen, tevens voor het eerst met ingang van 1 juni 2013. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2014. Het inkomen van de vrouw ligt rond de bijstandsnorm, reden waarom zij op dit moment geen aandeel in de kosten van de kinderen heeft. Partijen spreken af dat de kinderalimentatie in ieder geval tot uiterlijk 1 juli 2015, zijnde het moment dat het aandeel van de moeder in de woning uiterlijk dient te zijn overgedragen aan de vader, niet zal worden gewijzigd. Artikel 8.3 - Aanpassing kinderalimentatie Partijen spreken af dat, uiterlijk per 1 juni 2015, op het moment dat de jaarcijfers over 2012 en 2013 van de ondernemingen van de man voornoemd gereed dienen te zijn, op basis van de daadwerkelijke cijfers en overige relevante financiële gegevens en omstandigheden een herberekening van de alimentatie zal plaatsvinden. 2.4. De man en de vrouw hebben medio 2019 in onderling overleg afgesproken dat de man voor [de minderjarige1] en [kind1] een bedrag van € 150,- per kind per maand op de kindrekening zou storten en de vrouw € 50,- per kind per maand. Eind augustus 2023 hebben de man en de vrouw afgesproken dat de man de kinderalimentatie van [kind1] van € 150,- per maand vanaf september 2023 rechtstreeks aan [kind1] zou overmaken en dat hij de bijdrage van [de minderjarige1] van € 150,- per maand op de kindrekening zou blijven storten. Zij hebben toen ook afgesproken dat ze de voetbalcontributie en de schoolkosten bij helfte tussen partijen zouden verdelen. 3De procedure bij de rechtbank 3.1. De vrouw heeft de rechtbank verzocht de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te wijzigen naar € 500,- per maand en de man te veroordelen tot betaling van € 1.591,- aan achterstallige kinderalimentatie, met opheffing van de kindrekening en overboeking van het saldo naar een bankrekening van de vrouw. 3.2. De rechtbank heeft beslist dat de man aan de vrouw: a.
- a)met ingang van 27 februari 2024 € 294,- per maand
- b)met ingang van 1 augustus 2024 € 500,- per maand en
- c)met ingang van 1 januari 2025 € 532,50 per maand aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] moet betalen, de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt. De rechtbank heeft bepaald dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten moeten betalen. De andere verzoeken van de vrouw zijn afgewezen. 4De procedure bij het hof 4.1. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De man verzoekt het hof te bepalen dat hij met ingang van 27 februari 2024 € 3,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen voor [de minderjarige1] . Hij vraagt het hof de vrouw in de kosten van deze procedure te veroordelen. 4.2. De vrouw is het niet eens met de man. Zij is het ook niet volledig eens met de beslissing van de rechtbank en heeft daartegen incidenteel appel ingesteld. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man aan haar a.
- a)met ingang van 1 augustus 2024 € 514,- per maand
- b)met ingang van 1 januari 2025 € 547,41 per maand
- c)met ingang van 1 juni 2025 € 584,41 per maand moet betalen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] . Daarnaast verzoekt de vrouw om de man te veroordelen afschriften en bewijsstukken over te leggen van de saldi op de spaarrekeningen van [de minderjarige1] en [kind1] en de man te veroordelen om het totale onttrokken bedrag van de spaarrekeningen van [kind1] en [de minderjarige1] aan [kind1] en [de minderjarige1] te voldoen. Als de man niet voldoet aan haar verzoeken met betrekking tot de aanzuivering van de spaarrekeningen, dan verzoekt de vrouw het hof de man een dwangsom op te leggen van € 100,- per dag dat hij hieraan niet voldoet. Zij vraagt het hof de man te veroordelen in de werkelijke of forfaitaire kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof. 4.3. De man heeft het hof verzocht de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren of de verzoeken van de vrouw in het incidentele appel af te wijzen. 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift met incidenteel hoger beroep het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep de stukken van de man ingediend op 20 november 2025 de stukken van de man ingediend op 7 januari 2026. 4.5. [de minderjarige1] heeft in een brief aan het hof, ingekomen op 8 augustus 2026, haar mening gegeven over de verzoeken. 4.6. De zitting bij het hof was op 21 januari 2026. Aanwezig waren: de man met zijn advocaat de vrouw met haar advocaat. 5De overwegingen voor de beslissing Wat staat in de wet? 5.1. Ouders zijn verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun minderjarige kinderen (artikel 392 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) Kinderalimentatie 5.2. Aan de orde is de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aangezien de vrouw een nieuwe baan heeft sinds 1 september 2023 en de man onderhoudsplichtig is geworden voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zijn er naar het oordeel van het hof relevante wijzigingen van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigen. 5.3. Voor een beoordeling van de behoefte en de draagkracht zoals de man en de vrouw het hof vragen, missen vooral bij de man maar ook bij de vrouw voldoende financiële stukken. Het hof wijst op artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftenprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin een opsomming is gegeven van de financiële informatie die partijen hebben te geven als de behoefte of de draagkracht wordt betwist. Hoewel de man en de vrouw al ruimschoots de tijd hebben gehad de nodige financiële stukken, voorzien van een onderbouwing te verstrekken, stelt het hof partijen in de gelegenheid om deze stukken alsnog in het geding te brengen. Het gaat hier immers om kinderalimentatie waarbij de rechter zich dan in de regel actiever kan opstellen om de informatie te verkrijgen die nodig is om een beslissing te nemen. Dat geldt te meer nu [de minderjarige1] er niet bij gebaat is als het hof na een al lang slepende en kostbare procedure niet op basis van voldoende financiële gegevens een redelijk bedrag aan kinderalimentatie kan vaststellen. 5.4. De man dient uiterlijk 5 maart 2026 aan de vrouw de navolgende stukken, voor zoveel mogelijk voorzien van een toelichting, te verstrekken: een organogram van al zijn ondernemingen. Dat zijn of waren in ieder geval [naam3] BV, [naam4] BV, [naam5] BV, [naam6] BV, BV [naam7] BV en [naam8] BV jaarstukken 2022, 2023 en 2024 van alle ondernemingen van de man alle faillissementsverslagen van (een of meer van) zijn ondernemingen aangifte IB over 2022, 2023 en 2024 belastingaanslagen over 2022, 2023 en 2024 alle bewijsstukken van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man bij [naam9] , zoals bewijs van de wachttijd en uitkeringsspecificaties of een afwijzing van zijn arbeidsongeschiktheidsaanvraag bij [naam9] inkomensgegevens van de man in 2025 en januari 2026 aangiften BTW 2025 van alle ondernemingen van de man draagkrachtberekeningen. 5.5. De vrouw dient aan de man uiterlijk op 5 maart 2026 de navolgende stukken, voor zoveel mogelijk voorzien van een toelichting, te verstrekken: - haar jaaropgaven 2024 en 2025 - haar salarisstroken van december 2024, december 2025 en januari 2026 - draagkrachtberekeningen. 5.6. Het hof bepaalt dat de advocaten de gevraagde financiële informatie, voorzien van een toelichting daarop, en met een reactie op elkaars stukken, uiterlijk op 19 maart 2026 bij het hof indienen, waarna het hof de zaak schriftelijk (dus zonder nadere mondelinge behandeling) zal afdoen. 6De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: 6.1. bepaalt dat de man en de vrouw elkaar via hun advocaten uiterlijk 5 maart 2026 de hiervoor in 5.4. en 5.5. genoemde financiële stukken voorzien van een toelichting verstrekken 6.2. bepaalt dat de advocaten van de man en de vrouw deze financiële informatie, voorzien van een toelichting daarop, en met een reactie op elkaars stukken uiterlijk op 19 maart 2026 bij het hof indienen. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, E. de Boer en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 19 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.