← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2026:959

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummers gerechtshof 200.361.805/01 en 200.361.805/02 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596173 beschikking van 19 februari 2026 over de uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] in de zaak van [vader] (de vader) die verblijft in de [penitentiaire inrichting] advocaat: mr. R.M. Bissumbhar en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI) die is gevestigd in Utrecht voor welke instelling het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (het LET) op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de beschermingsmaatregel en [moeder] (de moeder) die woont op een voor de vader onbekend adres advocaat: mr. C.I. Veenstra en de pleegouders van [minderjarige1] 1Samenvatting De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: rechtbank), heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 2 september

  1. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.
  2. De ouders hebben samen drie kinderen: - [minderjarige1] , geboren [in] 2014 (verder: [minderjarige1] ); - [minderjarige2] , geboren [in] 2016 (verder: [minderjarige2] ); - [minderjarige3] , geboren [in] 2021 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige3] ). 2.
  3. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. 2.
  4. De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen wonen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 3De procedure bij de kinderrechter 3.
  5. De GI heeft de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] te verlengen voor de duur van een jaar (tot 2 september 2026). 3.
  6. De rechtbank heeft de verzoeken van de GI toegewezen en beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 3.
  7. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 28 augustus
  8. 4De procedure bij het hof 4.
  9. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en hij verzoekt: - de werking van de bestreden beschikking (de uitvoerbaarheid bij voorraad) van de bestreden beschikking te schorsen per 1 februari 2026; - te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst dan wel – als de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft – een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen waarbij iedere week minimaal één contactmoment plaatsvindt. 4.
  10. De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. 4.
  11. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.
  12. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:  het beroepschrift, ingekomen op 24 november 2025 Het hof heeft een emailbericht van mr. Bissumbhar, met bijlagen, van 22 december 2025 (daags voor de zitting ingekomen) buiten beschouwing gelaten, omdat deze stukken niet aan de andere belanghebbenden zijn gestuurd, te laat zijn ingediend en niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn. 4.
  13. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zij vinden van de uithuisplaatsing. [minderjarige1] heeft geschreven dat hij niet komt en wat hij vindt van het verzoek. [minderjarige2] heeft niet gereageerd. 4.
  14. De zitting bij het hof was op 23 december
  15. Aanwezig waren: de vader met zijn advocaat de advocaat van de moeder twee vertegenwoordigers van de GI 5Het oordeel van het hof 5.
  16. De vader heeft zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken, zodat dit niet hoeft te worden besproken. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in dat verzoek. Zijn verzoek te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst of een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, kunnen – in een procedure als deze – niet (voor het eerst) in hoger beroep worden gedaan. De vader is daarom ook in die verzoeken niet-ontvankelijk. Wat staat in de wet? 5.
  17. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken. Hoe oordeelt het hof? 5.
  18. De machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen loopt tot 2 september
  19. 5.
  20. De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat de kinderen niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd). 5.
  21. Het hof verwijst naar de uitvoerig gemotiveerde beschikking van de rechtbank over het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing, sluit zich aan bij die motivering en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe. De kinderen zijn uithuisgeplaatst vanuit de thuissituatie bij de moeder. Dat betekent dat als het hof de bestreden beschikking ongedaan maakt (zoals de vader verzoekt), de kinderen weer bij de moeder komen wonen en niet bij de vader. Zijn verzoek kan dus niet leiden tot het gevolg dat hij wenst. Toen de kinderen uithuisgeplaatst werden, kon de vader vanwege zijn detentie de kinderen niet bieden wat zij nodig hadden. De opvoedvaardigheden van de vader (en een onderzoek daarnaar) waren op dat moment dan ook door zijn eigen toedoen niet aan de orde. Het hof acht het niet realistisch te veronderstellen dat de vader, na beëindiging van zijn detentie (eind januari 2026), in staat is de kinderen een passende verzorging en opvoeding te bieden in een veilige omgeving, gelet op de forse problematiek van de kinderen en zijn eigen problemen wat betreft het reguleren van zijn emoties. Dat voor de vader re-integratiedoelen zijn opgesteld, hij deze uitvoert en dat hij trainingen heeft gevolgd beter om te gaan met zijn emoties en met zijn kinderen (‘Mijn kind en ik”) is onvoldoende om daarover anders te oordelen.
  22. De beslissing Het hof: in de zaak met nummer 200.361.805/02 verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep; in de zaak met nummer 200.361.805/01 verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst of een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 oktober 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari
  23. artikel 1:265b lid 1 BW. artikel 1:265c lid 2 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.