GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.673/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 153536 arrest in kort geding van 17 februari 2026 in de zaak van [appellante] (de moeder), die woont in [woonplaats1] , advocaten: mr. A.M. Koopman en mr. M. Terhorst, beiden kantoorhoudende te Alkmaar, en [geïntimeerde] (de vader), die woont in [woonplaats2] , advocaat: mr. E. Lucas, kantoorhoudende te Lelystad. In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Groningen. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis (hierna: het bestreden vonnis) dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 20 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met daarbij de memorie van grieven met bijlage(n); de memorie van antwoord met bijlage(n); een brief namens de moeder van 19 december 2025 met bijlage(n); een brief namens de vader van 19 december 2025; een brief namens de moeder van 4 januari 2026 met bijlage(n); een brief namens de vader van 5 januari 2026 met bijlage(n). 1.2. In de brief namens de moeder van 19 december 2025 staat in de eerste zin achter de productienummers een toelichting op de bij die brief ingediende producties A9 en A10. Dit gedeelte van de brief en de producties neemt het hof wel mee bij de beoordeling. De verdere tekst achter de productienummers en het tweede gedeelte van de brief (vanaf de 3e alinea, beginnende met “In casu is van belang”) laat het hof, zoals tijdens de mondelinge behandeling al is meegedeeld, buiten beschouwing. Dit gedeelte van de brief bevat namelijk een extra, tweede schriftelijke ronde, die niet is toegestaan. 1.3. Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door mr. Terhorst; - de vader, bijgestaan door mr. Lucas en vergezeld van twee medewerkers van [naam1] ; - een vertegenwoordiger van de raad. Mr. Terhorst heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De pleitnota bevat drie bijlagen. Van de mondelinge behandeling is een verslag opgemaakt (een proces-verbaal). 2De kern van de zaak 2.1. De moeder en de vader hebben gedurende ongeveer zeven jaar een relatie met elkaar gehad en samengewoond. De relatie is in het voorjaar van 2023 geëindigd. 2.2. De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2020. Bij beschikking van 19 april 2024 is de vader gezamenlijk met de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.3. De vader heeft uit een latere relatie nog een dochter. 2.4. De ouders woonden met [de minderjarige] in [woonplaats2] . De grootouders (moederszijde) en de overgrootmoeder (moederszijde) woonden toen op hetzelfde erf als de ouders. 2.5. Op 28 april 2023 is de moeder, nadat partijen hun relatie hadden beëindigd, met [de minderjarige] vertrokken uit de woning in [woonplaats2] . De moeder heeft eerst enige tijd met [de minderjarige] en de grootouders (moederszijde) in [plaats1] verbleven. Nu woont de moeder in [woonplaats1] . 2.6. De vader is in de (boerderij)woning in [woonplaats2] blijven wonen, waar de ouders eerst samenwoonden. De grootvader (vaderszijde) en zijn partner wonen nu op hetzelfde erf. 2.7. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft - voor zover hier van belang - bij beschikking van 19 april 2024: - het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen; - de moeder bevolen binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van die beschikking met [de minderjarige] te verhuizen naar een woonplaats gelegen binnen een straal van maximaal 30 autominuten vanaf de woning van de vader in [woonplaats2] ; - een definitieve zorgregeling vastgesteld. 2.8. Het hof heeft bij beschikking van 10 september 2024, voor zover hier van belang: - de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, vernietigd voor zover daarbij de moeder is bevolen binnen drie maanden met [de minderjarige] te verhuizen, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de moeder bevolen binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de beschikking van het hof met [de minderjarige] te verhuizen naar een woonplaats gelegen binnen een straal van maximaal 30 autominuten vanaf de woning van de vader in [woonplaats2] ; - de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd; - bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij verzuimt de in de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, bepaalde zorgregeling na te komen een dwangsom aan de vader verbeurt van € 250,- per dag, tot een maximumbedrag van € 5.000,-. 2.9. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 26 maart 2025: - bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn; - de vader, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op zijn adres in de gemeentelijke basisadministratie en om [de minderjarige] in te schrijven op de basisschool [naam2] te [plaats2] ; - de zorgregeling gewijzigd en als volgt vastgesteld: voor de periode dat de moeder nog in [woonplaats1] woont: [de minderjarige] verblijft om het weekend bij de moeder, waarbij: - indien de vader werkt op vrijdag: de omgang begint op zaterdagochtend en duurt tot maandagmiddag en - indien de vader niet werkt op vrijdag: de omgang begint op vrijdagochtend en duurt tot zondagmiddag; vanaf het moment dat de moeder in de omgeving van [woonplaats2] woont: [de minderjarige] verblijft de ene week van vrijdag uit school tot en met maandag naar school en de andere week minimaal op één nader door partijen in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag bij de moeder; - [de minderjarige] verblijft de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder; - [de minderjarige] verblijft op Moederdag bij de moeder en op Vaderdag bij de vader; - [de minderjarige] wordt (ten minste) eenmaal per week op een doordeweekse dag rond 17:00 uur in de gelegenheid gesteld om met de moeder Facetime-contact te hebben, waarbij de vader steeds uiterlijk een half uur tevoren meldt dat hij het Facetime- contact tot stand gaat brengen; - de ouder bij wie [de minderjarige] het laatst verbleef, brengt haar naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden. De moeder heeft tegen deze beschikking van de rechtbank Rotterdam hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij heeft verzocht de zaak te verwijzen naar een onafhankelijk hof dat nog niet eerder over het geschil heeft beslist (te weten hof Amsterdam of hof Den Bosch). Het hof Den Haag heeft de zaak verwezen naar het hof Den Bosch. 2.10. [de minderjarige] woont sinds eind maart 2025 bij de vader in [woonplaats2] . Daarvoor woonde ze bij de moeder in [woonplaats1] . 2.11. De vader wordt sinds april 2025 beveiligd door [naam1] en heeft sindsdien niet in zijn woning in [woonplaats2] kunnen verblijven. 2.12. De moeder heeft op 26 september 2025 bij de voorzieningenrechter (in conventie) gevorderd: 1. om [de minderjarige] volledig aan de moeder toe te vertrouwen voor de periode dat de vader niet feitelijk verblijft in zijn woning in [woonplaats2] en zolang hij wordt bedreigd en zolang hij wordt beveiligd door [naam1] ; 2. de vader te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de volgende zorgregeling nadat de bedreigingen zijn gestopt, gedocumenteerd wordt aangetoond dat [naam1] de vader niet meer bewaakt en beveiligt èn de vader weer op zijn eigen adres in [woonplaats2] verblijft: de vader zorgt in de even weken voor [de minderjarige] en de moeder in de oneven weken, waarbij het wisselmoment op donderdag uit school zal zijn, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum van € 100.000,- althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat de vader niet voldoet aan het gevorderde onder punt 1 en 2; 3. de vader te veroordelen om uiterlijk binnen één dag na betekening van het vonnis uitvoering te geven aan het gevorderde onder punt 1. of indien er geen sprake meer is van bedreigingen etc., zoals hiervoor is aangegeven onder punt 2; 4. de vader te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten. 2.13. De vader heeft bij de voorzieningenrechter (in reconventie) gevorderd: 1. primair: de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen; 2. subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter de moeder ontvankelijk acht: de zorgregeling als vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025 op te schorten totdat in de bij het hof Den Bosch lopende procedure is beslist over de zorgregeling; 3. de moeder in conventie en reconventie te veroordelen in de (na)kosten van dit geding. 2.14. De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis: in conventie: - de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot wijziging van de zorgregeling vanaf het moment dat de bedreigingen zijn gestopt en gedocumenteerd wordt aangetoond dat [naam1] de vader niet meer bewaakt en beveiligt en de vader weer op zijn eigen adres in [woonplaats2] verblijft; - de overige vorderingen van de moeder afgewezen; in reconventie: de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het opschorten van de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] totdat in de bij het hof Den Bosch lopende bodemprocedure is beslist over de zorgregeling; in conventie en in reconventie: - de kosten van deze procedure gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 2.15. De moeder vordert in hoger beroep om het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen: 1. primair: dat voorlopig, totdat in de bodemprocedure door het hof Den Bosch hierover is beslist, de vader in de even weken voor [de minderjarige] zal zorgen en de moeder in de oneven weken, waarbij het wisselmoment donderdag uit school zal zijn; 2. subsidiair: dat zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, aangepast aan het lesrooster van [de minderjarige] , de moeder om de week vanaf vrijdag uit school tot maandagochtend naar school voor [de minderjarige] zal zorgen en van woensdag uit school tot donderdag naar school; 3. dat de vader iedere dinsdag zijn medewerking zal verlenen aan een Facetime-gesprek tussen [de minderjarige] en de moeder; 4. dat de vader zijn werkrooster zodra dat beschikbaar komt zal toezenden aan de moeder; - dit alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum van € 100.000,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom voor elke dag of elk deel daarvan dat de vader niet voldoet aan het gevorderde onder punt 1 of 2, 3 en 4; - de vader te veroordelen om uiterlijk binnen een dag na betekening van het arrest uitvoering te geven aan de hiervoor gevorderde voorlopige zorgregeling; - de vader te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten. 2.16. De vader concludeert in hoger beroep tot verwerping van het door de moeder ingestelde hoger beroep, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding in beide instanties. 3De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. Het hof zal hierna de vorderingen van de moeder in hoger beroep per vordering bespreken. Zorgregeling primaire vordering 3.2. De moeder vordert primair om voorlopig, totdat in de bodemprocedure in hoger beroep door het hof Den Bosch hierover is beslist, een week op week af-zorgregeling vast te stellen. Het hof wijst deze vordering af. 3.3. Ten eerste is het hof van oordeel dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij deze gevraagde voorziening. De moeder heeft op dit moment structurele omgang met [de minderjarige] . [de minderjarige] is namelijk feitelijk een weekend in de twee weken bij de moeder. De moeder wil dat [de minderjarige] een hele week bij haar is. Aanvankelijk had de moeder zich in de stukken en ter zitting op het standpunt gesteld dat de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader in het geding is. Op vragen van het hof naar aanleiding van het feit dat de moeder niet de volledige zorg vordert in hoger beroep, is namens de moeder verklaard dat zij zich geen zorgen maakt dat de vader [de minderjarige] iets aandoet of dat het bij hem anderszins niet veilig is voor [de minderjarige] . Dit vormt dus geen spoedeisend belang om de zorgregeling voor de duur van de bodemprocedure te wijzigen. Volgens de moeder is het spoedeisend belang om in deze kort geding procedure een week op week af-zorgregeling te vorderen, vooral gelegen in de omstandigheid dat [de minderjarige] op dit moment, zo meent de moeder, niet of nauwelijks door de vader zelf maar grotendeels door de grootvader (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.