G E R E C H T S H O F A R N H E M BELASTINGKAMER Nr. 932850 Het gerechtshof te Arnhem, eerste enkelvoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 31 december 1993 en gericht tegen de uitspraak d.d. 18 november 1993 van de inspecteur van de Belastingdienst/ Ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen; Gezien de overige stukken, waaronder de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, het proces-verbaal van de door het hof ter na te noemen zitting gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van belanghebbendes gemachtigde de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen; Gehoord ter zitting van 4 oktober 1994 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *A, alsmede de inspecteur voornoemd; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 171.887,-- met inachtneming van een belastingvrije som van f 4.660,-- en met toepassing van het bijzondere tarief van 45% op een bedrag van f 86.973,--, is gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende in beroep vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een stipinkomen van f 86.767,--, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: (1.1) In 1986 heeft belanghebbende zijn veehouderijbedrijf met uitzondering van de bedrijfsgebouwen en de grond ingebracht in een met zijn zoon aangegane maatschap. Van de bedrijfsgebouwen en de grond die als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen zijn aangemerkt, is het genot in de maatschap ingebracht. (1.2) Op 30 april 1991, aan het eind van het boekjaar 1990/1991, is de maatschap ontbonden. Belanghebbende heeft de bestanddelen van zijn (vennootschappelijk en buitenvennootschappelijk) ondernemingsvermogen aan zijn zoon overgedragen. De zoon bleef op de boerderij wonen. (1.3) Begin 1991 heeft belanghebbende een woning betrokken, die op ongeveer een halve kilometer van de boerderij nieuw is gebouwd op een tot belanghebbendes buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behorend perceel grond. Belanghebbende heeft de opstal tot zijn privé-vermogen gerekend. De zoon heeft in de nabijheid van de woning een mestopslag en jongveestal laten bouwen, die hij tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen heeft gerekend; Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of de inspecteur terecht het - ten onrechte op f 7.000,-- in plaats van f 14.000,-- berekende - verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van het bij de woning behorende perceel grond tot belanghebbendes winst uit onderneming heeft gerekend; Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd: Namens belanghebbende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.