10 december 1996 pachtkamer rolnummer 95/658 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [pachter] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, procureur: mr. P.C. Plochg, tegen: [verpachter] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, procureur: mr. J.M. Bosnak. 1 Het geding in eerste aanleg De pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar heeft op 19 september 1995 tussen partijen een vonnis gewezen dat in fotocopie aan dit arrest is gehecht. Naar de inhoud daarvan wordt verwezen voor het procesverloop in de eerste aanleg, de beslissing en de gronden daarvoor. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 18 oktober 1995 is appellant, [pachter] , van bovengenoemd vonnis in hoger beroep gekomen met dagvaarding van geïntimeerde, [verpachter] , voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [pachter] de hierna te vermelden grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verpachter] alsnog zal veroordelen om aan [pachter] te betalen tegen deugdelijk bewijs van kwijting de somma van 76.955,-- in totaal (inclusief expertisekosten en buitengerechtelijke incasso-kosten), zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 1994 tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van [verpachter] in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [verpachter] verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof (zo nodig met aanvulling en/of verbetering van gronden) het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van [pachter] in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Daarna zijn de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3De grieven [pachter] heeft de volgende grieven aangevoerd: I Ten onrechte heeft de pachtkamer als haar oordeel uitgesproken dat uit de (deskundigen)rapportage van de Grontmij niet volgt dat het drainagesysteem onvoldoende functioneerde. II Ten onrechte heeft de pachtkamer bij haar beslissing kennelijk de nodige betekenis toegekend aan de omstandigheid, dat niet is komen vast te staan, dat ten gevolge van het verbod tot (verder) doorspuiten wateroverlast ontstond. III Ten onrechte heeft de pachtkamer haar beslissing gebaseerd op de afwezigheid van wanprestatie van de kant van [verpachter] . IV Ten onrechte heeft de pachtkamer aan [pachter] diens vordering tot schadevergoeding niet toegekend. V Ten onrechte heeft de pachtkamer verzuimd [verpachter] te veroordelen in de proceskosten. 4De vaststaande feiten De pachtkamer van het kantongerecht heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2 nrs 1 tot en met 5 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom ook van die feiten uitgaan. 5De beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1 [pachter] heeft aan [verpachter] aangezegd dat hij in hoger beroep komt van het vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar van 19 september 1995. Hij vordert vernietiging van dat vonnis. Tegen dat vonnis zijn echter geen grieven gericht voorzover dat in reconventie is gewezen. Het hof neemt daarom aan, dat [pachter] het hoger beroep wil beperken tot het vonnis voorzover dat in conventie is gewezen en dat hij ook slechts in zoverre vernietiging van dat vonnis bedoelt te vorderen. [verpachter] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep. Hij heeft geen grieven gericht tegen het vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de vordering in reconventie in hoger beroep niet meer aan de orde is. 5.2 Het gaat in deze zaak, voorzover in hoger beroep aan de orde, nog om het volgende punt. [pachter] heeft voor het seizoen 1993/1994 van [verpachter] gepacht een perceel grond ter grootte van ongeveer 4 ha te [plaats] , gemeente [gemeente] , voor een pachtprijs van 32.000,--. De grond was bestemd voor bollenteelt. In december 1993 is na hevige regenval water op een deel van het perceel blijven staan. Om de wateroverlast op te heffen heeft [pachter] alle drains ten minste éénmaal doorgespoten en vervolgens een aantal drains gedurende de periode van half december 1993 tot half januari 1994 dagelijks. Op of omstreeks 10 januari 1994 heeft [verpachter] [pachter] verboden nog langer door te spuiten. [pachter] is toen daarmee gestopt. Enige tijd later heeft [pachter] aan [verpachter] gemeld dat een aanzienlijke hoeveelheid bollen verstikt is. Hij heeft de schade doen opnemen door de heer [A] , die de schade heeft gewaardeerd op 70.930,--. [verpachter] heeft zijnerzijds de schade ook doen opnemen en wel door de heer [B] , die de schade heeft gewaardeerd op 67.680,--. [pachter] acht [verpachter] aansprakelijk voor vergoeding van de schade van 70.930,-- vermeerderd met taxatiekosten, buitengerechtelijke kosten en rente. [verpachter] acht zich niet aansprakelijk. Partijen hebben in overleg een rapport doen uitbrengen door de Grontmij. Dit rapport is ten processe overgelegd. Partijen verbinden verschillende conclusies aan de constateringen in dat rapport. De pachtkamer van het kantongerecht heeft geoordeeld dat de oorzaak van de schade niet is komen vast te staan en heeft de vordering afgewezen. [pachter] is het daarmee niet eens en is in hoger beroep gekomen. Blijkens de grieven en de toelichting daarop beoogt [pachter] het geschil in conventie in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor te leggen. 5.3 Niet weersproken is dat [verpachter] de grond aan [pachter] heeft verpacht als bollengrond. Dit blijkt ook uit de door [verpachter] bedongen pachtprijs. [pachter] mocht op grond van de overeenkomst en de door [verpachter] bedongen pachtprijs aannemen, dat het perceel geschikt was voor de bollenteelt en meer in het bijzonder dat het drainagesysteem zodanig was, dat behoudens extreme omstandigheden geen wateroverlast op het perceel zou ontstaan. [verpachter] dient daarom de schade van [pachter] te vergoeden indien deze is ontstaan door een gebrekkig drainagesysteem of, in het verlengde daarvan, indien [verpachter] ten onrechte [pachter] heeft verhinderd maatregelen te treffen, die de wateroverlast konden opheffen. [verpachter] is niet gehouden de schade van [pachter] te vergoeden indien [pachter] , zoals [verpachter] beweert, de schade op eenvoudige wijze had kunnen voorkomen door het graven van geulen en/of het afvlakken van de kopeinden. 5.4 Het hof is van oordeel dat, behoudens het hierna te bespreken eventuele tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schade aan de bloembollen is ontstaan hetzij door wateroverlast ten gevolge van een gebrekkig drainagesysteem, hetzij doordat [verpachter] [pachter] heeft belet deugdelijke maatregelen te nemen tegen de wateroverlast. Het hof baseert dit oordeel op het navolgende. a Ten processe is overgelegd een rapport houdende beoordeling van de ontwateringssituatie van de Grontmij. Een deel van het rapport is in opdracht van beide partijen vervaardigd. Het deel dat betrekking heeft op video-opnames is uitsluitend in opdracht van [pachter] uitgevoerd. Het rapport vermeldt onder meer het navolgende: - Met behulp van de camera-inspectie is aangetoond dat diverse drains sterk zijn verzand. Verscheidene drains stonden nog vol water. Het drainwater was dermate troebel of slibhoudend dat een optimale waarneming niet mogelijk was. - De drainsleuven zijn tot ongeveer 0.50 m beneden maaiveld aangevuld met schelpen. De schelpen bevinden zich met name boven de drains. Aan de zijkanten en aan de onderkant van de drains is de schelpenlaag zeer dun of ontbreekt deze. - Van de drains die aan de binnenzijde zijn geïnspecteerd bleken de drains 1, 9 en 18 sterk te zijn verzand, terwijl in de drains 3 en 6 slechts een beperkte hoeveelheid zand en vuil (slib) is waargenomen. - Het perceel is gedraineerd met niet omhulde pvc-ribbeldrains. Deze drains zijn in verhouding tot de tegenwoordig veel toegepaste drainagebuizen, die zijn voorzien van een vooromhulling, relatief gevoelig voor inspoeling van zand. - De met name boven de drains aangebrachte schelpen moeten de functie van de beschreven vooromhulling overnemen. Door de vrij grove structuur van de schelpen wordt de indringingsweerstand verkleind, maar de filterende werking van de schelpen is onvoldoende om zandinspoeling tegen te gaan. Tevens moet worden opgemerkt dat door de geringe laagdikte of het ontbreken van schelpen aan de zij- en onderkanten van de drains de kans op verzanding erg groot is. - Opgemerkt wordt dat het zand waarin de drains zijn aangebracht gemakkelijk kan worden losgewoeld (instabiel wordt) onder invloed van stromend water. Het is aannemelijk dat het verzanden van de drains is versterkt door het doorspuiten van de drains. - Verondersteld wordt dat de aangetoonde verzandingen niet alleen het gevolg zijn van de in de wintermaanden uitgevoerde doorspuitingen. De inspoeling van zand heeft al vanaf de aanlegperiode plaatsgevonden. - Doordat de diverse drains geheel of gedeeltelijk zijn verzand wordt de ontwatering van het perceel negatief beïnvloed. De drains kunnen niet optimaal functioneren, waardoor met name in natte perioden de kans op wateroverlast toeneemt. - De ontwatering van het perceel wordt mede negatief beïnvloed doordat het water in de sloot waarop de drains afwateren in de zomermaanden op een peil wordt gehandhaafd dat uitkomt boven de eindbuizen van de drains. De drains worden geïnfiltreerd met (vuil) slootwater, waardoor in de drains enige slibafzettingen konden plaatsvinden. Dit heeft een negatief effect op de werking van de drains. Tevens heeft infiltratie van de drains tot gevolg dat de bodemlagen rond de drains vrijwel continu onder water staan. In deze situatie is de structuurvorming in de betreffende lagen zeer minimaal. Door structuurvorming zal onder meer de cohesie van het zand toenemen. Bij een sterkere binding tussen de zandkorrels zal het zand minder gemakkelijk wegspoelen. Geconcludeerd wordt dat periodieke infiltratie van de drains nadelig is voor de ontwateringssituatie van het betreffende bollenperceel. b Het onder a vermelde is een opsomming van de negatieve aspecten van het drainagesysteem. Uit het rapport als geheel blijkt niet, dat het drainagesysteem in zeer slechte staat verkeerde, wel dat het drainagesysteem al vanaf de aanlegperiode een aantal gebreken vertoonde waardoor inspoeling van zand plaatsvond, die de optimale werking, zoals die voor een bollenperceel mag worden verwacht, beletten, met als gevolg dat bij veel regenval wateroverlast kon ontstaan. c De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat een deel van de verzanding is ontstaan door het doorspuiten. Dit ontheft [verpachter] niet van de aansprakelijkheid. Uit het door partijen gestelde blijkt immers, dat [verpachter] aanvankelijk wel bezwaren heeft gemaakt tegen het doorspuiten, maar dat hij na aandringen van [pachter] daarmee heeft ingestemd en zelfs daaraan heeft medegewerkt. Indien inderdaad, zoals [verpachter] stelt, vervolgens de ontzanding ernstiger is geworden was het niet verantwoord om met het doorspuiten te stoppen. Toen eenmaal de - veronderstellenderwijs aangenomen - onjuiste weg was ingeslagen was er geen weg terug. [verpachter] had in die situatie [pachter] niet mogen beletten door te gaan met het doorspuiten. 5.5 Uit hetgeen hiervoor onder 5.4 is overwogen volgt, dat voorshands moet worden aangenomen dat de schade is veroorzaakt door het gebrekkig functioneren van het drainagesysteem en/of het stoppen met doorspuiten op of omstreeks 10 januari 1994, welke beide oorzaken de aansprakelijkheid van [verpachter] meebrengen. Beoordeeld moet nog worden of hetgeen door [verpachter] verder is aangevoerd, voor zover hiervoor nog niet besproken, tot een ander oordeel kan leiden. - [verpachter] heeft aangevoerd, dat de zodenlaag onjuist zou zijn ondergeploegd. Blijkens het rapport van de Grontmij is slechts op één plaats vlak boven een drain
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.