G E R E C H T S H O F A R N H E M BELASTINGKAMER Nr. 96/0522 Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X B.A., gevestigd te *Z, ingekomen op 1 april 1996 en gericht tegen de uitspraak d.d. 29 maart 1996 van de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan *A B.A., gevestigd te *Q, (hierna: de belastingplichtige) voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting; Gezien de overige stukken, waaronder conclusies van re- en dupliek ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden, en de door belanghebbendes gemachtigde en de inspecteur overgelegde notities van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd; Gehoord ter zitting van 13 mei 1997 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *B, bijgestaan door de op zijn kantoor werkzame *C en door *D, directeur van belanghebbende, alsmede de inspecteur voornoemd bijgestaan door de op zijn eenheid werkzame *E; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ *, is gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende in beroep vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ *, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak waarvan beroep, dan wel vermindering van het belastbare bedrag tot (nader) ƒ *; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: (1.1) Per 1 januari 1993 is de belastingplichtige door middel van een juridische fusie in belanghebbende opgegaan. Ultimo 1990 telde de belastingplichtige * leden. (1.2) De belangrijkste activiteit van de belastingplichtige bestond uit de fabricage van *a en de levering daarvan aan haar leden. Bij de inkoop van grondstoffen streefde de belastingplichtige naar een regelmatige aanvoer tegen een redelijke prijs en naar prijsvoordeel door voorinkoop met termijncontracten. De grondstoffen werden voor 60 tot 70% door middel van termijncontracten ingekocht. In de regel leidden de contracten altijd tot levering aan de belastingplichtige en werden de contracten niet verhandeld. (1.3) Belanghebbende neemt het standpunt in dat de belastingplichtige bij de waardering van haar voorraden grondstoffen het volgende systeem heeft toegepast: a. De voorraden worden per grondstofsoort gewaardeerd met toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel op de economische voorraad, dat wil zeggen het totaal van de technische voorraad en de voorinkopen. b. In geval van een manco wordt een reserve gevormd gelijk aan de marktwaarde van het manco. c. In geval van een surplus wordt dit (niet per grondstofsoort, maar) per contract gewaardeerd op kostprijs, dan wel lagere marktwaarde. d. De marktwaarde is gelijk aan de prijs waarvoor op de balansdatum een contract kan worden afgesloten voor dezelfde grondstofsoort met toepassing van gelijke vervoerscondities en een gelijke (resterende) levertijd. (1.4) Belanghebbende neemt voorts het standpunt in, dat de belastingplichtige het onder (1.3) beschreven systeem van voorraadwaardering per ultimo 1990 als volgt heeft toegepast: a. Per ultimo 1990 was de technische voorraad kleiner, maar de economische voorraad groter dan de ijzeren voorraad. b. Op de fiscale balans werd - in overeenstemming met de commerciële balans - opgevoerd de ijzeren voorraad met daartegenover een schuld gelijk aan de verplichtingen uit hoofde van de in de ijzeren voorraad betrokken voorinkoop. c. Voor zover het restant aan voorinkoop bestond uit soorten grondstof waarvan de marktwaarde de kostprijs overtrof, is dit restant op kostprijs gewaardeerd. Met betrekking tot dit restant is niets op de balans opgevoerd, omdat de waarde van dit gedeelte van de voorinkoop gelijk was aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen. d. Voor zover het restant aan voorinkoop bestond uit soorten grondstof waarvan de kostprijs de marktwaarde (zoals omschreven onder (1.3) d) overtrof, is dit restant op die marktwaarde gewaardeerd. Met betrekking tot dit restant is op de balans opgevoerd actief de kostprijs en passief een voorziening gelijk aan het afwaarderingsverlies ten bedrage van ƒ 223.603,--. (1.5) De inspecteur neemt het standpunt in: a. primair: dat de voorinkopen door middel van termijncontracten geen onderdeel vormden van de voorraden en dat met betrekking tot de termijncontracten geen voorziening kon worden gevormd, b. subsidiair: dat ook ingeval de voorinkopen als onderdeel van de voorraden konden worden gewaardeerd, ter zake geen voorziening kon worden gevormd, c. meer subsidiair:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.