Gerechtshof Arnhem belastingkamer nummer 97/0545 U i t s p r a a k Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X B.V., gevestigd te *Z, ingekomen op 18 april 1997 en gericht tegen de uitspraak d.d. 21 maart 1997 van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1990 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, welke naheffingsaanslag bij een aanslagbiljet met dagtekening 28 december 1995 en nummer * te harer kennis is gebracht, alsmede tegen het besluit van de inspecteur de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging van 100 percent voor niet meer dan 50 percent kwijt te schelden; Gezien de overige stukken, waaronder de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd; Gehoord ter zitting van 20 januari 1998 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *, bijgestaan door *A, alsmede de inspecteur voornoemd *; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde naheffingsaanslag en het voormelde besluit zijn gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende naar het hof verstaat in beroep verzoekt primair vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag met de daarin begrepen verhoging en meer subsidiair verdere kwijtschelding van de verhoging, terwijl de inspecteur concludeert, naar het hof verstaat, primair tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot verdere kwijtschelding van de verhoging met ƒ 16.188,–; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: (1.1)Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak een schildersbedrijf. Zij verrichtte schilderwerken in opdracht van aannemers, particulieren en projectontwikkelaars. (1.2)Sinds het midden van de jaren tachtig heeft belanghebbende schilders-, glaszetters-, en behangerswerkzaamheden verricht voor *B BV. *B BV was een projectontwikkelaar. Belanghebbende factureerde *B BV ter zake van die werkzaamheden met toepassing van de op artikel 12, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) gebaseerde verleggingsregeling. Op de desbetreffende facturen vermeldde belanghebbende: „omzetbelasting verlegd”. (1.3)In 1990 heeft belanghebbende als beheerskostenvergoeding ƒ 350.000,– in rekening gebracht aan *B BV. (1.4)In het tijdvak van naheffing was *C directeur van belanghebbende en van *B BV. *C was voorts houder van 75% van de aandelen van belanghebbende en van 50% van de aandelen van *B BV. (1.5)Het bedrag van ƒ 350.000,– heeft betrekking op door *C voor *B BV verrichte werkzaamheden. Volgens belanghebbende heeft de vergoeding ook betrekking op werkzaamheden die zouden zijn verricht door de in het tijdvak van naheffing bij haar werkzame *D en *E. (1.6) Belanghebbende heeft de inspecteur de volgende opgave gedaan van de werkzaamheden die *C voor *B BV zou hebben verricht: „A.het dagelijks ondersteunen als projectleider op de bouwplaats van de uitvoerder die door *B BV was ingehuurd; B.dagelijks overleg op de bouwplaats met de aannemer/onderaannemers of personeel van die aannemers welke rechtstreeks onder verantwoording van de *B BV's stonden; C.het inkopen van materialen en het uitbesteden van nog uit te voeren werkzaamheden op de bouwplaats; D.het onderhouden van de contacten met de eventuele kopers hetzij bij de makelaar of rechtstreeks met kopers; E.het calculeren, bestekken schrijven en uitbesteden van nieuwbouwprojecten; F.het onderhouden van de contacten met de gemeente, architecten, bank e.d.; G.het dagelijks laten factureren van termijnen aan de kopers. Door het dagelijks aanwezig zijn op de bouwplaats konden de termijnen, indien deze vervallen, waren door *B BV dagelijks worden gefactureerd en de binnenkomende facturen worden gecontroleerd. H.Controleren van binnenkomende facturen i.v.m. leveringen en uitgevoerde werkzaamheden op de in aanbouw zijnde werken.”. Volgens belanghebbende hebben *D en *E gelijksoortige (deel)werkzaamheden verricht. (1.7)Belanghebbende heeft ter zake van de prestaties waarvoor zij het bedrag van ƒ 350.000,– in rekening heeft gebracht geen belasting voldaan. (1.8)In de administratie van *B BV is geen factuur aangetroffen waarmee de ƒ 350.000,– in rekening is gebracht. Volgens belanghebbende is een dergelijke factuur wel uitgereikt. Tussen partijen bestaat overeenstemming dat als ter zake van de onder 1.5 bedoelde werkzaamheden een factuur is uitgereikt daarop niet afzonderlijk een bedrag aan belasting is vermeld en daarop evenmin is aangegeven „omzetbelasting verlegd”. (1.9)*B BV heeft bij haar reguliere maandaangiften, over het bedrag van ƒ 350.000,– dat haar in rekening is gebracht geen bedrag aan belasting in vooraftrek gebracht en ter zake evenmin belasting aangegeven. (1.10)Belanghebbende heeft als bijlage 14 bij het beroepschrift een afschrift overgelegd van het openbaar gedeelte van het rapport d.d. 13 augustus 1992 opgemaakt naar aanleiding van een bij *B BV ingesteld onderzoek. Het onderzoek heeft betrekking op de jaren 1987 tot en met 1989 voor wat betreft de vennootschapsbelasting en op het jaar 1989 voor wat betreft de omzetbelasting. (1.11)Paragraaf 1 („Verantwoording”) van het rapport luidt als volgt: „Ik heb een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van eerdergenoemde aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting van *B BV. Deze aangiften en dit rapport dienen als basis voor de vaststelling van de belastbare bedragen en de te betalen omzetbelasting van de betreffende vennootschap. In dit rapport staan de bevindingen en conclusies”. Het rapport maakt geen melding van een onjuiste behandeling door *B BV van enig haar door belanghebbende in rekening gebracht bedrag aan „beheerskostenvergoeding”. (1.12)*B BV is in de loop van 1994 failliet verklaard. *C is strafrechtelijk vervolgd ter zake van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die *B BV onder zijn leiding heeft gedaan. Hij is in hoger beroep door de strafrechter veroordeeld tot een taakstraf. *C is voorts op grond van de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid (hierna: WBA) aansprakelijk gesteld voor schulden van *B BV. Tegen het vonnis van de rechtbank in de aangespannen WBA-procedure waarin de ontvanger in het gelijk is gesteld, is door *C hoger beroep ingesteld. (1.13)In het strafrechtelijk onderzoek is *C verhoord door de FIOD. Hij heeft blijkens het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal onder andere verklaard: „Ik fungeerde als directeur. Voor mijn werkzaamheden bracht *X BV een beheersvergoeding in rekening, afhankelijk van mijn werkzaamheden als directeur van *B BV..” (1.14)Bij brief van 20 juli 1996 heeft belanghebbendes gemachtigde de inspecteur verzocht alsnog een verbeterde factuur te mogen overleggen indien de inspecteur van mening is, dat de verleggingsregeling louter om formele redenen niet van toepassing is; Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vragen betreft of de inspecteur terecht belasting heeft nageheven ter zake van het meergenoemde door belanghebbende aan *B BV in rekening gebrachte bedrag van ƒ 350.000,–, en zo ja of de inspecteur terecht heeft nageheven met een verhoging van 100% en terecht besloten heeft die verhoging niet verder kwijt te schelden dan tot op 50%; Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd: Namens belanghebbende: (2.1)*C is voor 20% afgekeurd *. Hij kan zijn normale werkzaamheden voor 80% verrichten. (2.2)Zij kan niet verklaren waarom in de administratie van *B BV geen factuur is terug te vinden waarmee de ƒ 350.000,– in rekening is gebracht. Zo'n factuur is wél uitgereikt, er stond niet op: „omzetbelasting verlegd”. De boekhouding van *B BV bevindt zich bij de curator. (2.3)*B BV was een projectontwikkelaar. Het concrete bouwen gebeurde door *F B.V. Het schilderwerk werd door haar verricht. (2.4)*A werkte in 1990 20 uur per week voor haar en verrichtte allerlei werkzaamheden. (2.5)Indien een boete van 50% gehandhaafd blijft, is sprake van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete. (2.6)*D en *E verrichtten gelijksoortige werkzaamheden als *C. (2.7)*G B.V. is veroordeeld wegens paulianeus handelen. De omvang van het door die B.V. verschuldigde bedrag moet nog worden vastgesteld. (2.8)De inspecteur is er op uit de belasting van haar na te heffen nu *B BV failliet is. Door de inspecteur: (3.1)Hij betwist dat het bedrag van ƒ 350.000,– mede betrekking heeft op werkzaamheden van *D en van *E. *D is werkzaam bij belanghebbende als administrateur. *E is bedrijfsleider bij belanghebbende. (3.2)Het controlerapport waarvan belanghebbende een afschrift heeft overgelegd heeft betrekking op jaren gelegen vóór
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.