Gerechtshof Arnhem Belastingkamer Nr. 95/0572 U I T S P R A A K O P V E R Z E T Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer; Gezien het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 maart 1995, nummer 30.137, gewezen op het beroep in cassatie van *X, wonende te *Z (Duitsland), tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 februari 1994 op het verzet van belanghebbende tegen de na te noemen voorzittersbeschikking van de belastingkamer van dat hof; Gezien de overige stukken, waaronder een afschrift van voormelde uitspraak, het voormelde arrest, de bij dit hof ingekomen conclusies na verwijzing van beide partijen, welke conclusies over en weer aan partijen zijn toegezonden en een briefwisseling met partijen naar aanleiding van door het hof bij PTT-post te 's-Hertogenbosch ingewonnen inlichtingen; Overwegende, dat belanghebbende door het Hoofd van de Belastingdienst/Douane district *P op 17 maart 1992 onder nummer * schriftelijk is uitgenodigd tot betaling van bedragen van ƒ 2.126,40 aan omzetbelasting en ƒ 3.186,20 aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's; dat bij beschikking d.d. 16 maart 1993 de voorzitter van voormelde belastingkamer belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn in zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard; dat een verzet van belanghebbende tegen die beschikking bij uitspraak d.d. 22 februari, nummer 2616/1992 van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch ongegrond is verklaard; dat de Hoge Raad in zijn genoemde arrest de uitspraak op verzet heeft vernietigd; dat belanghebbende dit hof heeft verzocht een mondelinge behandeling te houden; dat belanghebbende, hoewel opgeroepen bij brief d.d. 16 januari 1997, aangetekend verzonden aan het adres *a-Strasse 16 *aa, *Z, Duitsland, ter zitting te Arnhem op 5 februari 1997 niet is verschenen; dat de griffier belanghebbende bij brief van 25 augustus 1997 heeft medegedeeld dat op 4 november 1997 nogmaals een mondelinge behandeling zou worden gehouden en daarbij belanghebbende heeft verzocht vóór 10 september 1997 aan het hof kenbaar te maken of deze datum hem schikte; dat belanghebbende niet op genoemde brief van 25 augustus 1997 heeft gereageerd en vervolgens is opgeroepen bij brief d.d. 15 oktober 1997, aangetekend verzonden aan het voormelde adres *a-Strasse 16 *aa, *Z, Duitsland, voor het bijwonen van een mondelinge behandeling ter zitting te Arnhem op 4 november 1997, op welke zitting belanghebbende niet is verschenen; dat de inspecteur met kennisgeving aan het hof evenmin op de voormelde zitting van 4 november 1997 is verschenen. Overwegende omtrent de oproeping: 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.