ak Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 98/1329 U i t s p r a a k op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
(1996)waarin op het moment van verkoop van de vordering sprake is van gedurende dat jaar gerijpte rente, welke rente echter pas bij opeisbaarheid in 2006 tot inkomen leidt. Onder die omstandigheden is sprake van inkomen ter zake van niet meer lopende termijnen, dat nog niet genoten is in de zin van artikel 33, lid 1, van de Wet. Dergelijke termijnen zijn niet te beschouwen als de lopende termijnen waarop artikel 27, lid 1, van de Wet het oog heeft. Te belasten bedrag 4.
- Nu artikel 27, lid 1, van de Wet - een lex specialis ten opzichte van artikel 31, lid 1 van de Wet - niet van toepassing is, heeft de Inspecteur terecht artikel 31, lid 1, toegepast. Hij berekent de baten op een bedrag van ƒ 231.523,--. Hij merkt het saldo van de verkoopprijs van de vordering (ƒ 408.023,--) en de met een bedrag van ƒ 6.000,-- verminderde nominale waarde van het nog uitstaande bedrag aan lening (ƒ182.500,--) aan als een bedrag dat genoten is ter vervanging van gederfde inkomsten. Belanghebbende verdedigt voor dit geval dat het bedrag aan gederfde inkomsten ƒ 226.053,-- moet zijn. 4.
- De Inspecteur heeft zijn stelling deugdelijk gemotiveerd. Hij heeft de waarde drukkende factor "voorzichtig" geschat op ƒ 6.000,--. Het bedrag van ƒ 530,-- dat belanghebbende noemt is onwaarschijnlijk. Dit temeer nu belanghebbende ter zitting heeft opgemerkt dat de betaalde verkoopprijs verhoudingsgewijs moet worden toegerekend aan de resterende hoofdsom (ƒ 155.122,43) en de rente (ƒ 252.900,56). De Inspecteur heeft mitsdien, door de resterende hoofdsom vast te stellen op ƒ 176.500,--, het te belasten bedrag aan rente niet te hoog vastgesteld. Slotsom 4.
- Het beroep is ongegrond; de uitspraak moet worden bevestigd.
- Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak, Aldus gedaan te Arnhem op 23 maart 2000 door mrs. Röben, voorzitter, Lamens en De Kroon, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Egberts als fiscaal-jurist en mr. Van der Waerden als griffier. (A.W.M. van der Waerden) (J.B.H. Röben) De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 maart 2000 Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.