20 juni 2000 derde civiele kamer rolnummer 99/364 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: De Lelie Tiel BV, gevestigd te Tiel, appellante, procureur: mr N.L.J.M. Rijssenbeek, tegen: Het Waterschap Polderdistrict Tieler- en Culemborger- waarden, zetelende te Geldermalsen, geïntimeerde, procureur: mr A.W.J.Th. Marres. 1 Het geding in eerste aanleg Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar het vonnis van 10 december 1998 dat de arrondissementsrechtbank te Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: De Lelie) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: het Polderdistrict) als gedaagde heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 De Lelie heeft bij dagvaarding van 5 maart 1999 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van het Polderdistrict voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven, tevens houdende akte tot aanvulling van de grondslag van de vordering, heeft De Lelie vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, de grondslag van haar vordering aangevuld, een productie in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van De Lelie zal toewijzen met veroordeling van het Polderdistrict in de kosten van beide instanties. 2.3 Tegen de vermeerdering van de grondslag van de vordering heeft het Polderdistrict zich verzet, welk verzet - na beantwoording daarvan door De Lelie - bij rolbeschikking van 19 oktober 1999 ongegrond is bevonden. 2.4 Bij memorie van antwoord heeft het Polderdistrict de grieven van De Lelie bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van De Lelie in de kosten van het hoger beroep, alles bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest. 2.5 Ter zitting van het hof van 10 april 2000 hebben partijen de zaak doen bepleiten, De Lelie door mrs R.J.M.C. Rosbeek en J.L. Stoop, beiden advocaat te Geleen, het Polderdistrict door mr F.J.P. Delissen, advocaat te Nijmegen; beide partijen hebben daarbij pleitnota’s in het geding gebracht. 2.6 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De vaststaande feiten Geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank in rov. 1 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, zodat het hof in hoger beroep van die feiten zal uitgaan. 4 De beoordeling van het hoger beroep 4.1 De Lelie vordert in hoger beroep veroordeling van het Polderdistrict tot betaling aan haar van een bedrag groot f 373.734,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over f 366.282,39 en over f 7.451,99 vanaf 9 oktober 1997, een en ander berekend tot de dag van algehele voldoening, ter vergoeding van de nog niet op andere wijze vergoede schade die zij als gevolg van de op 1 februari 1995 bevolen evacuatie van haar bedrijf uit Tiel heeft geleden. 4.2 Aan die vordering heeft zij - kort gezegd - primair ten grondslag gelegd dat het Polderdistrict onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, aangezien het tekort is geschoten in zijn zorg tot onderhoud van de dijken die Tiel en omstreken tegen hoogwater van de Waal beschermen, waaronder de dijkvakken Stadswallen Tiel en Tiel Bellevue-Zennewijnen, althans tekort is geschoten in haar - wettelijke - verplichting zorg te dragen voor zodanige verbetering van die dijken dat deze op 1 februari 1995 voldeden aan de daarvoor geldende norm, als vastgelegd in art. 3 van de Verordening Dijkverbetering Gelderland, te weten dat zij een waterstand kunnen keren die 1/1250 keer per jaar wordt overschreden. 4.3 Grief 1 keert zich tegen de beslissing van de rechtbank dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat het Polderdistrict tekortgeschoten is in de uitvoering van de verplichting tot onderhoud in de zin van instandhouding van de bestaande dijken in zijn beheersgebied. Volgens de toelichting bij de grief moet de volgens art. 53 lid 1 van het Reglement voor de Gelderse Waterschappen, luidende: “De verplichting tot onderhoud van de waterkeringen en waterwerken rust op het waterschap”, op het Polderdistrict rustende onderhoudsplicht ruim worden opgevat, zodat daaronder ook het op bekwame hoogte en breedte brengen en houden van de dijklichamen moet worden gerekend. 4.4 Het hof verwerpt deze grief. Blijkens art. 49 lid 1, deel uitmakend van het Hoofdstuk 3 Waterkeringszorg van dat Reglement, stelt het algemeen bestuur (van het waterschap) een legger met kaart vast, waarin zijn opgenomen de waterkeringen … en waarin ten aanzien van elke waterkering de hoogte van de kruin ten opzichte van N.A.P. alsmede de overige afmetingen worden aangegeven. Art. 53 van het Reglement, dat in zijn lid 1 de verplichting tot onderhoud van de waterkeringen op het waterschap doet rusten, maakt geen melding van enige verplichting van het waterschap tot aanpassing van de dijk in hoogte of breedte. Lid 3 van die bepaling verplicht de onderhoudsplichtigen van kunstwerken gelegen in waterkeringen deze voortdurend en goed te onderhouden, overeenkomstig de afmetingen welke in de legger zijn aangegeven. Het stelsel van dat hoofdstuk van het Reglement houdt derhalve kennelijk in dat de onderhoudsplicht van het waterschap slechts betrekking heeft op de waterkeringen in de dimensies zoals in de legger zijn vastgelegd en niet mede een verplichting tot verhoging of verbreding van de waterkeringen ten opzichte van de dimensies in de legger insluit. Dit sluit aan bij de onbestreden stelling van het Polderdistrict (pnt. 4.2 bij dupliek) dat de bestaande dijken binnen de provincie Gelderland in de zestiger jaren door het provinciebestuur zijn geïnventariseerd en gedetailleerd beschreven. Dat de onderhavige dijken niet voldeden aan de afmetingen vastgelegd in de legger is gesteld noch gebleken. Aanknopingspunten of grond voor een andere uitleg van de onderhoudsverplichting heeft het hof niet gevonden. Ook in hoger beroep heeft De Lelie niet nader feitelijk gesteld dat het Polderdistrict in het vorenbedoelde onderhoud nalatig is geweest. 4.5 Grief 2 en grief 3, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, bestrijden de beslissing van de rechtbank dat onder de door de rechtbank vastgestelde omstandigheden niet aangenomen kan worden dat het Polderdistrict een aan hem toe te rekenen onrechtmatige daad jegens De Lelie heeft gepleegd doordat dijkvakken binnen haar beheersgebied begin 1995 niet van voldoende hoogte en stabiliteit waren om te voldoen aan de norm 1/1250 keer per jaar. 4.6 Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. De bij art. 3 van de Verordening Dijkverbetering Gelderland in of omstreeks 1983 op het Polderdistrict gelegde zorgplicht tot verbetering van de bij hem in beheer zijnde dijkvakken die niet aan de norm van 1/1250 keer per jaar voldeden, had ten gevolge dat het Polderdistrict aan de hand van uit deze statistische norm af te leiden maatgevende hoogwaterstanden en de daarop te baseren lokale eisen ten aanzien van kruinhoogten en verdere afmetingen plannen diende te ontwikkelen voor het ontwerp, daaronder begrepen de ligging, van de te verbeteren dijkvakken tot een aan die norm voldoende hoogte en stabiliteit, de voor de vaststelling van die plannen wettelijke vereiste goedkeuringen van het provinciaal bestuur respectievelijk van Rijkswaterstaat diende te verkrijgen, en vervolgens al datgene moest verrichten wat voor de realisering van de aldus ontworpen verbeterde dijken nodig is, waaronder het - ook door onteigening - verwerven van gronden, het verkrijgen van wijzigingen van bestemmingsplannen en het verkrijgen van vergunningen onder tal van wetten, als ook het verwerven van subsidies in de kosten van ontwerp en uitvoering. Anders dan De Lelie betoogt, kan in die zorgplicht niet gelezen worden dat het Polderdistrict ervoor instond dat de dijkverbeteringen in haar beheersgebied zonder vertraging tot stand zouden komen, laat staan dat het Polderdistrict uit hoofde van dat artikel een nog verdergaande garantieplicht zou hebben. De Lelie heeft geen aanknopingspunten aangereikt, en het hof zijn deze niet bekend, voor de opvatting dat de Provincie Gelderland bij het tot stand brengen van deze Verordening zo ver strekkende verplichtingen op de betrokken waterschappen heeft willen leggen. Ook de door De Lelie in eerste aanleg overgelegde delen van de begrotingen van het Polderdistrict voor 1992 en 1993 met posten voor dijkverbetering bieden geen steun voor haar standpunt, aangezien in die jaren blijkens de toelichting de uitvoering van de dijkvakken in Tiel en tot Zennewijnen ter hand zou worden genomen. De zorgplicht betrof, voor zover thans van belang, slechts het zo spoedig mogelijk tot stand brengen van de dijkverbeteringen binnen de het Polderdistrict gegeven wettelijke en financiële mogelijkheden. Weliswaar houdt de Verordening ook in dat de waterschappen de dijkverbetering moeten voorbereiden en uitvoeren volgens een door Gedeputeerde Staten vast te stellen tijdschema en is tussen partijen niet omstreden dat het Polderdistrict achterstand heeft opgelopen bij de uitvoering van zijn dijkversterkingsprogramma, doch hieruit volgt nog niet dat het Polderdistrict achter is geraakt op een door de provincie of de centrale overheid vastgesteld tijdschema. Ook volgt hieruit nog niet dat het Polderdistrict, dat met recht heeft aangevoerd gebonden te zijn aan wettelijke regels en procedures, rechtens verweten kan worden dat begin 1995 dijken in haar beheersgebied nog niet aan de norm van 1/1250 keer per jaar voldeden. 4.7 De Lelie heeft gesteld dat het Polderdistrict er zeven jaar, tot 1989, over heeft gedaan om goedgekeurde plannen te verkrijgen voor het dijkvak Tiel Bellevue-Zennewijnen, en dus onvoldoende voortvarend is opgetreden en dat daarna ook niets is gebeurd, althans dat het Polderdistrict daarna is blijven steken in langdurige procedures, die in 1995 versneld bleken te kunnen worden doorgevoerd. 4.8 Het Polderdistrict heeft aangevoerd dat zij steeds de zorg in acht heeft genomen die van hem verwacht mocht worden en heeft dat als volgt toegelicht. Reeds de Commissie Rivierdijken (Commissie Becht) die in 1977 rapporteerde en adviseerde tot dijkverbetering, ging uit van een uitvoeringsduur van twintig jaar totdat alle nodige dijkverbeteringen zouden zijn uitgevoerd. Eerst medio 80’er jaren waren volgens het Polderdistrict de maatgevende waterhoogten bekend, zodat van een vertraging van zeven jaar geen sprake is, alvorens in 1989 het principeplan voor het dijkvak Tiel Bellevue-Zennewijnen door de provincie en Rijkswaterstaat werd goedgekeurd. Bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof heeft het Polderdistrict nog verduidelijkt, dat het in 1982 een basisplan gereed had, in 1984 een uit vergelijking van diverse mogelijkheden voortgekomen globaal plan, dat in 1986 nader onderzoek plaatsvond en een openbare zitting daaraan werd gewijd en dat in dat jaar het herziene globale plan in de coördinatiecommissie werd besproken, hetgeen in 1988 resulteerde in een definitief plan bij het Polderdistrict. Toen stond echter niet vast wanneer financiering voor de uitvoering zou kunnen worden verkregen. Ontwikkelingen in de tweede helft van de jaren ’80 hebben geleid tot een nieuwe planning op rijksniveau, op subsidies waarvan de uitvoering is aangewezen, voor het gehele rivierengebied met een einddatum in 2008. Bij de motie-Eversdijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.