jl Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 99/1963 U i t s p r a a k op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de op 30 maart 1996 gedane uitspraak van de Inspecteur van de dienst/Particulieren/Ondernemingen P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
(9)door hem op bladzijde 6 van het vertoogschrift genoemde, tot de handelsvoorraad van belanghebbende behorende, op diesel rijdende personenauto’s, waarvoor onder meer brandstofkosten ten laste van de winst zijn gebracht. De Inspecteur heeft op redelijkheidsgronden de correctie bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet beperkt tot drie auto’s en die berekend op een bij belanghebbende in aanmerking te nemen bedrag van ƒ 7.852,
- 4.
- Na verwijzing staat vast dat met de - niet als personenauto te kwalificeren en dus niet onder de regeling van artikel 42, tweede lid, vallende - Peugeot 205 XAD, kenteken aa-11-bb, voor privédoeleinden 5000 kilometers is gereden. Vast staat tevens dat met betrekking tot dit gebruik ƒ 550,-- niet als ondernemingskosten heeft te gelden. 4.
- Aan de orde is derhalve de vraag of belanghebbende in 1992 negen auto’s elk op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Belanghebbende dient dit overtuigend aan te tonen. 4.
- Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat naast de hiervoor in 4.
- genoemde auto geen auto’s uit de handelsvoorraad voor privédoeleinden zijn gebruikt. Hij stelt dat de gebruiksbeperkingen die aan dit soort auto’s verbonden zijn meebrengen dat van deze auto’s (redelijkerwijs) geen gebruik kan worden gemaakt. 4.
- Daarnaar ter zitting gevraagd heeft belanghebbende geen andere beperkingen genoemd dan de beperkingen die zijns inziens voortvloeien uit de aan het gebruik van een handelaarskenteken verbonden voorwaarden. 4.
- Het is het Hof bekend dat aan het gebruik van een handelaarskenteken voor niet-zakelijke doeleinden bij ontdekking aanzienlijke financiële gevolgen kunnen worden verbonden. Die gevolgen kunnen gebruikers van een dergelijk kenteken ervan weerhouden in strijd met de voorwaarden te handelen. Het gaat het Hof echter te ver om met belanghebbende te zeggen dat die gevolgen er toe leiden dat van tot de handelsvoorraad behorende auto’s voor privédoeleinden (redelijkerwijs) geen gebruik kan worden gemaakt. Het tegendeel blijkt immers reeds uit de door de Inspecteur na verwijzing ingebrachte gegevens over misbruik van het handelaarskenteken. Het Hof trekt, wat er zij van het door partijen over de gepresenteerde cijfers gevoerde debat, daaruit de conclusie dat misbruik feitelijk plaatsvindt en dat jaarlijks wegens geconstateerd verboden privégebruik rond de 800 naheffingsaanslagen worden opgelegd. Het Hof gaat er voorts van uit dat de mate waarin een belanghebbende beducht zal zijn voor de gevolgen van een overtreding van de voorwaarden sterk zal afhangen van de door hem ingeschatte kans op ontdekking. Voorts neemt het Hof hierbij in aanmerking dat het gezin van belanghebbende bestaat uit drie volwassenen die over een geldig rijbewijs beschikken, en die in beginsel gebruik kunnen maken van de tot het vermogen van de onderneming behorende personenauto's. 4.
- Met het vorenstaande heeft belanghebbende derhalve niet overtuigend aangetoond dat de negen auto’s op jaarbasis elk voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden worden gebruikt. Ook anderszins acht het Hof dit niet overtuigend aangetoond. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende niet in een (welhaast) onmogelijke bewijspositie wordt geplaatst, doch dat hij - zoals hij ter zitting heeft beaamd - op eenvoudige wijze kan voldoen aan de vorm van bewijs die de Inspecteur ter zitting aan hem heeft gesuggereerd. 4.
- Het gelijk is op dit punt aan de Inspecteur. De uitspraak kan echter niet in stand blijven. Het zou de Inspecteur hebben vrijgestaan om negen keer een bijtelling toe te passen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.
- en 4.
- is vermeld dient echter het niet ten behoeve van de onderneming gemaakte bedrag voor privégebruik te worden gesteld op ƒ 4.576,-- (60% × [2 × 20% × ƒ 25.000,-- = ƒ 10.000,--] + ƒ 550,-- = ƒ 10.550,-- met een maximum van ƒ 7.627,11). Het belastbaar inkomen bedraagt dan ƒ 59.521,--, rekening houdend met ƒ 57,-- meer meewerkaftrek en een bedrag van ƒ 458,-- wegens extra dotatie aan de oudedagsreserve.
- Proceskosten Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 1.5 punt maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1 ofwel ƒ 1.065,--.
- Beslissing Het Hof - vernietigt de bestreden uitspraak, - vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.521,--, en - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ¦ 1.065,--, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden. Aldus gedaan te Arnhem op 2 mei 2000 door mrs Van Schie, voorzitter, Lamens en Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Vellema als griffier. (A. Vellema) (P.M. van Schie) De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 mei 2000 Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten