31 oktober 2000 pachtkamer rolnummer 98/576P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats appellant], appellant, procureur: mr F.J. Boom, tegen: de openbare rechtspersoon Het Hoogheemraadschap van West-Brabant, gevestigd te Breda, geïntimeerde, procureur: mr J.C.N.B. Kaal. 1 De procedure in eerste aanleg De pachtkamer van het kantongerecht te Breda heeft op 18 september 1997 en 25 juni 1998 tussen appellant -verder te noemen: [appellant]- als eiser en geïntimeerde -verder te noemen: het Hoogheemraadschap- als gedaagde vonnissen gewezen. In het tussenvonnis is [appellant] toegelaten tot bewijslevering en in het eindvonnis is zijn vordering strekkende tot veroordeling van het Hoogheemraadschap om een toezegging na te komen met nevenvorderingen afgewezen onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Van beide vonnissen is afschrift aan dit arrest gehecht. Naar die afschriften wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de aan de beslissingen ten grondslag gelegde motivering. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 23 juli 1998 is [appellant] in hoger beroep gekomen van bovengenoemde vonnissen met dagvaarding van het Hoogheemraadschap voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen het tussenvonnis één grief en tegen het eindvonnis drie grieven aangevoerd en toegelicht, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd dat het hof beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tussenvonnis van 18 september 1997 en het eindvonnis van 25 juni 1998 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende: Primair: I zal verklaren voor recht dat het Hoogheemraadschap West-Brabant aan [appellant] heeft toegezegd de beide dijken gelegen langs het Amertak-kanaal aan [appellant] te verpachten waarbij [appellant] erop mocht vertrouwen dat deze verpachting geschiedt tegen de voorwaarden waaronder het Hoogheemraadschap volgens bestendig gebruik haar in eigendom en/of beheer toebehorende dijklichamen verpacht, derhalve dat het Hoogheemraadschap gehouden is met [appellant] in onderhandeling te treden omtrent het verpachten van de betreffende weidedijken aan [appellant], waarbij het Hoogheemraadschap gehouden is deze onderhandelingen geheel te goeder trouw en met open vizier te verrichten en alles in het werk te stellen teneinde met betrekking tot de betreffende weidedijken een pachtovereenkomst met [appellant] af te sluiten, met inachtname van hetgeen onder positum 12 van de dagvaarding in eerste aanleg omtrent de inhoud van het pachtcontract is aangevoerd; II het Hoogheemraadschap zal veroordelen haar onvoorwaardelijke toezegging inhoudende het aan [appellant] verpachten van de betreffende weidedijken tegen de voorwaarden waaronder het Hoogheemraadschap volgens bestendig gebruik haar in eigendom en/of beheer toebehorende dijklichamen verpacht, na te komen en wel door het Hoogheemraadschap te bevelen met [appellant] in onderhandeling te treden omtrent het verpachten van de betreffende weidedijken aan [appellant], waarbij het Hoogheemraadschap gehouden is deze onderhandelingen geheel te goeder trouw en met open vizier te verrichten en alles in het werk te stellen teneinde met betrekking tot de betreffende weidedijken een pachtovereenkomst met [appellant] af te sluiten, met inachtname van hetgeen onder positum 12 van de dagvaarding in eerste aanleg is aangevoerd, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ¦ 5.000,-- voor iedere dag dat het Hoogheemraadschap, nadat vijf dagen na betekening van het door het hof te wijzen arrest zijn verstreken, in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen; Subsidiair: I zal verklaren voor recht dat het Hoogheemraadschap West-Brabant aan [appellant] heeft toegezegd de beide dijken gelegen langs het Amertak-kanaal aan [appellant] te verpachten indien en zodra zij de eigendom van de betreffende dijken verwerft waarbij [appellant] erop mocht vertrouwen dat deze verpachting zal geschieden tegen de voorwaarden waaronder het Hoogheemraadschap volgens bestendig gebruik haar in eigendom en/of beheer toebehorende dijklichamen verpacht, derhalve dat het Hoogheemraadschap, zodra zij de eigendom van de betreffende dijken heeft verworven, gehouden is met [appellant] in onderhandeling te treden omtrent het verpachten van de betreffende weidedijken aan [appellant], waarbij het Hoogheemraadschap gehouden is deze onderhandelingen geheel te goeder trouw en met open vizier te verrichten en alles in het werk te stellen teneinde met betrekking tot de betreffende weidedijken een pachtovereenkomst met [appellant] af te sluiten, met inachtname van hetgeen onder positum 12 van de dagvaarding in eerste aanleg omtrent de inhoud van het pachtcontract is aangevoerd; II het Hoogheemraadschap zal veroordelen om, zodra zij de eigendom van de dijklichamen langs het Amertak-kanaal heeft verworven, aan [appellant] hiervan uiterlijk binnen 5 dagen na de eigendomsverwerving schriftelijk mededeling te doen; III het Hoogheemraadschap zal veroordelen haar toezegging, inhoudende het aan [appellant] verpachten van de betreffende weidedijken tegen de voorwaarden waaronder het Hoogheemraadschap volgens bestendig gebruik haar in eigendom en/of beheer toebehorende dijklichamen verpacht, na te komen en wel door het Hoogheemraadschap te bevelen binnen vijf dagen nadat zij de eigendom van de betreffende dijkweilanden heeft verkregen met [appellant] in onderhandeling te treden omtrent het verpachten van de betreffende weidedijken aan [appellant], waarbij het Hoogheemraadschap gehouden is deze onderhandelingen geheel te goeder trouw en met open vizier te verrichten en alles in het werk te stellen teneinde met betrekking tot de betreffende weidedijken een pachtovereenkomst met [appellant] af te sluiten, met inachtname van hetgeen onder positum 12 van de dagvaarding in eerste aanleg is aangevoerd, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ¦ 5.000,-- voor iedere dag, dat het Hoogheemraadschap, nadat vijf dagen na voormelde inschrijving zijn verstreken, in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen; Meer subsidiair: I zal verklaren voor recht dat het Hoogheemraadschap indien zij de weidedijken met een beroep op gewijzigde inzichten met betrekking tot flora- en faunabeheer niet kan of wenst te verpachten aan [appellant], jegens [appellant] wanprestatie pleegt en/of jegens hem onrechtmatig handelt; II het Hoogheemraadschap zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [appellant] geleden heeft en nog zal lijden tengevolge van de door het Hoogheemraadschap jegens hem gepleegde wanprestatie en/of onrechtmatige daad, op te maken bij staat en te vereffenen volgends de wet; Primair, subsidiair en meer subsidiair: I het Hoogheemraadschap zal veroordelen aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag ad ¦ 1.050,-- (exclusief BTW), althans een door Uw Pachtkamer naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening; II het Hoogheemraadschap zal veroordelen in de kosten van de beide procedures en zal bepalen dat het Hoogheemraadschap de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn indien zij deze niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest zal hebben voldaan. 2.3 Het Hoogheemraadschap heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, één nieuwe productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze zal ontzeggen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in (het hof leest:) hoger beroep. 2.4 Ter zitting van het hof van 25 september 2000 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg, en het Hoogheemraadschap door mr N.S. Commijs, advocaat te Rotterdam, zulks beiden mede aan de hand van pleitnotities. 2.5 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De grieven Deze luiden, ten dele verkort weergegeven: I Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht in haar tussenvonnis d.d. 8 september 1997 dat op [appellant] de bewijslast rust aan te tonen dat het Hoogheemraadschap hem onvoorwaardelijk heeft toegezegd de beide weidedijken langs het Amertakkanaal aan hem te zullen verpachten.. II Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht overwogen zoals zij heeft overwogen in het vonnis van 25 juni 1998, derde bladzijde, eerste tot en met derde alinea en vijfde alinea tot aan nr. 3. III Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht de vorderingen afgewezen. IV Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 4 De vaststaande feiten 4.1 Tussen partijen staat als enerzijds erkend en anderzijds niet of onvoldoende betwist het navolgende vast. 4.2 Bij beschikking van de grondkamer voor Noord-Brabant van 5 juli 1985 is aan het Hoogheemraadschap goedkeuring verleend tot het opnemen van bedingen als bedoeld in art. 62 van de Pachtwet in overeenkomsten met betrekking tot circa 170 ha dijkweiland tussen de Zeeuwse grens en Geertruidenberg. Het daartoe strekkende verzoek van het Hoogheemraadschap van 28 mei 1985 vermeldt onder meer: “(..) Omdat een goede grasmat van essentieel belang is voor de waterkering is in het Reglement bepaald dat dijken uitsluitend mogen worden beweid met schapen, tenzij door ons hiervan ontheffing wordt verleend. Omdat schapen een uitermate gunstig effect hebben op de grasmat wordt deze beweidingsvorm door ons nagestreefd. Waar zulks, gezien de bedrijfsvoering van de gebruikers, op onoverkomenlijke bezwaren stuit, wordt door ons gemengde beweiding -dat wil zeggen met schapen en jongvee in de verhouding 3:1- toegestaan. (..)” 4.3 Bij akte van 28 mei 1986 heeft het Hoogheemraadschap voor een periode van zes jaren aan [appellant] verpacht een gedeelte van de buitenwaterkering onder Made, kadastraal bekend gemeente Made en Drimmelen, sectie T, nr. 894 (gedeeltelijk), groot 4.03.71 ha. In deze overeenkomst was als bijzondere bepaling opgenomen dat verlenging niet zou plaatsvinden indien en voor zover verpachting met de bestemming onverenigbaar is. 4.4 Op 31 januari 1989 heeft [appellant] aan het Hoogheemraadschap geschreven: “(..) In gesprekken met vertegenwoordigers van Rijkswaterstaat over deze kwestie heb ik begrepen dat de door hen nieuw aan te leggen dijken langs het kanaal beheerd gaan worden door uw schap. Ik wilde u verzoeken, mede gelet op het feit dat ik door de aanleg van het kanaal ca. 1 ha minder dijkgrond kan gebruiken, bij de uitgifte van gebruik van de nieuwe dijkgronden mij in aanmerking te laten komen voor gebruik van een deel of delen van bedoelde dijken.(..)” 4.5 Een brief van het Hoogheemraadschap aan [appellant] van 21 maart 1989, ondertekend door dijkgraaf mr [naam dijkgraaf] en griffier [naam griffier Hoogheemraadschap], luidt als volgt: “In antwoord op uw bovenaangehaalde brief berichten wij u in principe bereid te zijn een gedeelte van de in het kader van de Amertak aan te leggen waterkering aan u te verpachten. Een en ander is echter eerst mogelijk nadat formeel het beheer en onderhoud van deze nieuwe dijk aan ons hoogheemraadschap is opgedragen. Wij komen hier te zijner tijd op terug.” 4.6 Een brief van het Hoogheemraadschap aan [appellant] van 7 juni 1989, wederom ondertekend door de dijkgraaf [naam dijkgraaf] en de griffier [naam griffier Hoogheemraadschap], betrekking hebbend op het verkleinen van het onder 4.3 bedoelde pachtobject met één hectare, eindigt als volgt: “(..) Tot slot delen wij u nog mede dat te zijner tijd, na voltooiing van de Amertakwerken en nadat wij de eigendom van de nieuwe keringen hebben verkregen, een gedeelte hiervan aan u in pacht zal worden uitgegeven.” 4.7 Bij akte van 30 juni 1989 is de oppervlakte van het onder 4.2 bedoelde pachtobject gewijzigd in 3.03.71 ha. [appellant] heeft in verband met de verkleining een schadevergoeding ontvangen. 4.8 Bij brief van 25 maart 1991 is aan [appellant] medegedeeld dat de onder 4.3 bedoelde pachtovereenkomst per 1 april 1992 niet zal worden verlengd. [appellant] heeft na die datum de grond in gebruik gehouden middels pachtovereenkomsten met een duur van minder dan één jaar. 4.9 Bij akte van 26 mei 1994 heeft het Hoogheemraadschap wederom voor een periode van zes jaren aan [appellant] het onder 4.6 bedoelde object verpacht. Als bijzondere bepalingen zijn onder andere opgenomen dat het gepachte uitsluitend zal worden gebruikt voor de beweiding met schapen en -in verband met de goedkeuring door de grondkamer voor het opnemen van bedingen als bedoeld in art. 62 Pw- dat de overeenkomst te allen tijde door de verpachter kan worden beëindigd indien en voor zover de bestemming de beëindiging naar het oordeel van de verpachter noodzakelijk maakt. 4.10 Bij brief van 27 april 1994 heeft griffier [naam griffier Hoogheemraadschap] van het Hoogheemraadschap aan [appellant] geschreven: “Naar aanleiding van het gesprek dat u met medewerkers van het hoogheemraadschap hebt gehad, doe ik u hierbij een nieuwe pachtovereenkomst toekomen. Deze overeenkomst staat, zoals afgesproken, in relatie tot de toekomstige verpachting van de dijken langs het nieuwe Amertak-kanaal aan u, onder gelijktijdige opzegging door u van de onderhavige pachtovereenkomst. (..)” 4.11 Op 17 maart 1995 heeft [appellant] aan [naam griffier Hoogheemraadschap] geschreven: “(..) Vorig jaar heeft u mij een nieuwe pachtovereenkomst aangeboden voor een perceel dijkweiland te Made ter grootte van 3.03.71 ha. (..) In de bij de aanbieding van deze pachtovereenkomst behorende brief is tevens uw toezegging vastgelegd, dat de dijken langs het nieuwe Amertakkanaal aan mij zullen worden verpacht, waartegenover ik de vigerende pachtovereenkomst weer zal opzeggen. Deze wederzijdse toezeggingen zijn geheel in overeenstemming met het gesprek, dat ik eerder over deze zaak had met het Hoogheemraadschap. Inmiddels zijn we bijna een jaar verder en is er nog niets gebeurd. De dijken zijn inmiddels ingezaaid en ingeplant en mijns inziens zijn er geen cultuurtechnische redenen, die verpachting van de dijken aan mij conform de afspraken verhinderen. Ik verzoek u dan ook mij een pachtovereenkomst aan te bieden voor de dijken van het Amertakkanaal vanaf de Amer tot aan de rijksweg A59, alsmede voor het verhoogd liggende weiland ten westen van de monding van het Amertakkanaal, dus tussen de oostelijke dijk van de jachthaven van Drimmelen, de Amer en de monding van het Amertakkanaal. Ten aanzien van de inhoud van de pachtovereenkomst zie ik gaarne, dat een bepaling, zoals die voorheen ook in mijn pachtovereenkomst met u stond, weer wordt opgenomen. Het gaat daarbij om het recht om op de dijken naast schapen ook vrouwelijk rundvee, jonger dan 2 jaar, te mogen beweiden.”(..) 4.12 Waarnemend griffier [naam waarnemend griffier Hoogheemraadschap] van het Hoogheemraadschap heeft de onder 4.11 genoemde brief namens het Hoogheemraadschap bij brief van 12 juni 1995 als volgt beantwoord: “(..) De door u verzochte verpachting van de nieuwe dijk langs het Amertakkanaal is momenteel nog onmogelijk. Het hoogheemraadschap is nog geen eigenaar van de genoemde grond. Zoals met u besproken, bent u de eerste gegadigde, wanneer het hoogheemraadschap over gaat tot het verpachten van de onderhavige grond. Hierbij wijs ik u er nu reeds op dat in een voorkomend geval, op een aan de situatie aangepaste wijze en enkel voor schapenbeweiding, verpacht zal worden. Tot het moment van de formele eigendomsoverdracht zal het hoogheemraadschap het onderhoud uitvoeren, door middel van maaien en afvoeren. (..)” 4.13 Op 18 juli 1996 heeft [appellant] aan het Hoogheemraadschap geschreven: “(..) Op 17 maart vorig jaar heb ik u herinnerd aan uw toezegging, dat uw organisatie de dijkweilanden langs de nieuwe Amertak aan mij zal verpachten. Op 12 juni 1995 heeft u daarop geantwoord, dat, wanneer u toe verpachting overgaat, ik de eerste gegadigde daarvoor ben. Wij zijn nu alweer meer dan een jaar verder en uit niets blijkt, dat u ook inderdaad tot verpachting overgaat en dan is een toezegging, dat ik de eerste gegadigde ben, wanneer (=indien) u tot verpachting overgaat, niets waard. Immers, het laat de mogelijkheid open, dat u nimmer tot verpachting overgaat. Ik verzoek u mij mede te delen waarom dat positieve besluit om tot verpachting over te gaan al maar uitblijft. Wat zijn de redenen daarachter? Het feit dat u nog geen eigenaar bent, althans volgens uw schrijven was u dat op 12 juni vorig jaar nog niet, behoeft volgens mij geen belemmering te zijn. U kunt toch verpachten met toestemming van de eigenaar.(..) Vooralsnog ga ik ervan uit, dat normale bemesting (met kunstmest) kan en mag, dat beweiding met schapen en vrouwelijk jongvee (jonger dan 2 jaar) toegestaan is en dat de dijkweilanden behoorlijk afgerasterd beschikbaar worden gesteld. (..)” 4.14 Het antwoord van het Hoogheemraadschap bij brief van 2 december 1996, ondertekend door dijkgraaf [naam dijkgraaf] en griffier [naam griffier 2 Hogheemraadschap], luidt als volgt: “(..) Het hoogheemraadschap is (nog) geen eigenaar van de betreffende dijken. Het is dan ook niet mogelijk dat deze gronden door het hoogheemraadschap verpacht worden. (..) Een tweede punt is de situatie na de formele eigendomsoverdracht. De inzichten met betrekking tot het beheer van dijkweiland in het algemeen, zijn de laatste periode gewijzigd. Het is niet een vanzelfsprekende zaak dat dijkweiland verpacht wordt voor beweiding met schapen en/of jongvee. Onderzoek heeft aangetoond dat natuurtechnisch beheer, zoals maaien en afvoeren, dan wel extensief beweiden, resulteert in een hoger waterkerend vermogen van een dijk. Tevens worden de ontwikkelingsmogelijkheden van natuurwaarden in de keuze van de beheersvorm meegewogen. Het bovenstaande heeft geresulteerd in een keuze voor het natuurtechnisch beheer van deze dijken. (..) Vooralsnog zal het hoogheemraadschap dan ook niet overgaan tot het verpachten van deze dijken. Wanneer deze, voor het hoogheemraadschap, nieuwe beheersvorm niet in de gewenste ontwikkeling van de vegetatie resulteert, zal uw verzoek nader bezien worden. Hierbij dienen evenwel andere belangen en ontwikkelingen in ogenschouw genomen te worden. Momenteel is de gemeente Made en Drimmelen doende om plannen rondom de bestaande jachthaven te ontwikkelen. De mogelijkheid bestaat dat de onderhavige waterkering hiervan deel uit maakt. Tevens zijn er ontwikkelingen op het gebied van de aanleg van wandel- en fietsroutes. Mogelijkerwijs zal dit leiden tot een uitbreiding van de huidige functie van de waterkering als onderdeel van een grootschalig routeplan. (..)” 5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1 In dit geding is aan de orde de vraag, of het Hoogheemraadschap verplicht moet worden geacht met [appellant] een pachtovereenkomst aan te gaan ter zake van dijken langs het nieuw aangelegde Amertakkanaal, zulks op basis van door het Hoogheemraadschap gedane toezeggingen. 5.2 Met zijn eerste grief klaagt [appellant] over het feit dat de pachtkamer van het kantongerecht op hem de bewijslast van zijn stelling heeft gelegd. Hij betoogt in de toelichting op de grief dat hij reeds op grond van de brief van 27 april 1994 behoudens door het Hoogheemraadschap te leveren tegenbewijs aan de bewijsopdracht heeft voldaan. Het hof onderschrijft evenwel de door de pachtkamer van het kantongerecht gegeven bewijslastverdeling. Hoewel in de brief van 27 april 1994 ontegenzeggelijk een aanwijzing voor de juistheid van (gedeelten van) het door [appellant] gestelde is gelegen, geeft die brief niet over al hetgeen door [appellant] in dit verband is gesteld (afdoende) uitsluitsel en wordt daarin verwezen naar tussen partijen gevoerde gesprekken en gemaakte afspraken. Het Hoogheemraadschap heeft gemotiveerd betwist dat aan [appellant] onvoorwaardelijk is toegezegd dat hij de dijken langs het Amertakkanaal in pacht zou krijgen in een omvang als door [appellant] gesteld. Gelet hierop heeft de pachtkamer hem terecht (aanvullend) bewijs van zijn stellingen opgedragen. 5.3 De grieven II en III hebben betrekking op de waardering van het bewijs. Het oordeel van het hof daaromtrent luidt als volgt. Op het hoofdpunt -de vraag óf het Hoogheemraadschap aan [appellant] in enigerlei vorm een pachtovereenkomst ter zake van dijkgronden van het Amertakkanaal heeft toegezegd- acht het hof [appellant] in de bewijslevering geslaagd. Deze toezegging dient echter in zoverre als voorwaardelijk te worden beschouwd, dat de verpachting eerst zal plaatsvinden nadat het Hoogheemraadschap de eigendom van de dijkgronden zal hebben verworven. Het hof acht [appellant] bovendien niet in de bewijslevering geslaagd wat betreft zijn stellingen, dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.