WS Gerechtshof Arnhem derde enkelvoudige belastingkamer nummer 99/1821 U i t s p r a a k op het beroep van [X] b.v. te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk (hierna: het college) van 24 juni 1999 op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het na te melden besluit. 1. Besluit en heroverweging 1.1. Bij brief met opmaakdatum 28 januari 1999 en verzenddatum 2 februari 1999 heeft het college belanghebbende kennisgegeven van, onder meer, zijn besluit tot afwijzing van het schriftelijke verzoek van belanghebbende van 16 november 1998 om restitutie van ƒ 15 060 aan betaalde leges. 1.2. Op het herhaalde verzoek van belanghebbende van 25 februari 1999 heeft het college bij brief met opmaakdatum 17 maart 1999 en verzenddatum 22 maart 1999 medegedeeld niet terug te komen van zijn standpunt zoals uiteengezet in zijn brief 2 februari 1999. 1.3. In antwoord op de hiertegen gerichte brief van 19 april 1999 heeft het college bij brief met opmaakdatum 22 juni 1999 en verzenddatum 24 juni 1999 belanghebbende ervan kennisgegeven, in zijn onder 1.1 genoemde brief geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te zien, niet inhoudelijk op het bezwaarschrift in te gaan en dit dan ook niet-ontvankelijk te hebben verklaard. 2. Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 4 augustus 1999, waarbij drie van de vier erin vermelde bijlagen zijn overgelegd. 2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen. 2.3. Bij de mondelinge behandeling op 18 oktober 2001 te Arnhem, gelijktijdig met die van het beroep van belanghebbende dat onder nummer 99/1100 bij dit hof bekend is, zijn gehoord belanghebbende bij monde van haar directeur [A en haar gemachtigde] alsmede de woordvoerder van het college. 2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende en de woordvoerder van het college bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. 3. Conclusies van partijen 3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep om vernietiging van de voormelde beslissing en om veroordeling van het college tot betaling van primair het voormelde bedrag aan leges, subsidiair een bedrag van ƒ 6 398, primair en subsidiair vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 1998 tot aan de dag der voldoening. 3.2. Het college concludeert dat het 'bezwaarschrift' kennelijk niet-ontvankelijk is. 4. De vaststaande feiten 4.1. Bij brief van 23 februari 1998 heeft belanghebbende het college verzocht, mede te werken aan wijziging van het bestemmingsplan [P] met het oog op het voornemen van belanghebbende, in het gebied ten noorden van [B] een nieuwe supermarkt te bouwen ter vervanging van de supermarkt aan de [a-straat]. 4.2. Bij brief van 31 maart 1998 heeft het college belanghebbende bericht dat 4.2.1. het 'niet onwelwillend' tegenover dat verzoek staat, doch door de sector Gemeentewerken nog gegevens aangeleverd moeten worden over de kosten van de aanleg van de toegangsweg c.a., 4.2.2. het het niet juist vindt reeds op het verzoek te beslissen, daar het op 14 april 1998 aantredende college dat besluit verder dient uit te voeren, 4.2.3. het in de loop van de maand mei op het verzoek zal beslissen, en 4.2.4. volgens de Legesverordening leges verschuldigd zijn bij het indienen van een aanvraag. 4.3. Bij de brief van 31 maart 1998 is een legesnota gevoegd met dezelfde dagtekening en de omschrijving: U bent een bedrag aan leges verschuldigd voor het herzien bestemmingsplan [P]. (...) Bezwaren tegen leges kunt u binnen 6 weken na de dagtekening van deze leges nota schriftelijk indienen bij Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijkerk. 4.4. Tegen het aan leges gevorderde bedrag is niet binnen de genoemde termijn bezwaar gemaakt. 4.5. Bij brief met opmaakdatum 17 juni 1998 en verzenddatum 22 juni 1998 heeft het college belanghebbende onder meer medegedeeld, dat 4.5.1. de gemeente bereid is om in principe mee te werken aan verplaatsing van de supermarkt aan de [a-straat], 4.5.2. daarvoor een aanpassing van het bestemmingsplan nodig is en het college bereid is, vooruitlopend daarop, met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning voor de nieuwe supermarkt te verlenen, 4.5.3. voor de aanleg van een toegangsweg tot aan het door belanghebbende in eigendom te verwerven perceel en aanpassing van de [b-straat] ter hoogte van deze ontsluiting een door Gemeentewerken op ƒ 101 000 geraamde, en voor een gekapitaliseerde bijdrage in beheersplannen voor onderhoud van wegen en groen op ƒ 46 118, tezamen derhalve op ƒ 147 118 berekende, bijdrage te zijner tijd door belanghebbende verschuldigd is, 4.5.4. in het centrum van Nijkerk diverse plannen onderhanden zijn, waarvan de realisering het centrum gunstig beïnvloedt, doch in een [rapport-D] uit 1996 wordt aanbevolen om de zuidelijke entree tot dat centrum en het gebied [c-plein/d-plein] met voorrang en op korte termijn te ontwikkelen met het oog op een goede winkelfunctie, en 4.5.5. het college eerst deze gebieden wil ontwikkelen en, zodra er met de betrokkenen overeenstemming is bereikt over de ontwikkeling van die zuidelijke entree, in staat is de procedure voor de supermarkt in P op te starten en dan nader op deze zaak te zullen terugkomen. 4.6. Na tal van besprekingen tussen vertegenwoordigers van belanghebbende en van de gemeente geeft belanghebbende bij brief van 16 november 1998 aan het college het volgende te kennen: De moeizame ontwikkelingen tot verplaatsing van de supermarkt [C te P] hebben ons doen besluiten af te zien van de voorgestelde plannen. Zowel de infra-structurele zaken met betrekking tot verplaatsing van het kantoorgebouw van de Woningbouwvereniging als wel de procedurele ontwikkeling waarbij wij in kosten en plannen afhankelijk zijn van de ontwikkelingen in Nijkerk geven ons aanleiding tot dit besluit. Wij verzoeken u restitutie te verlenen van de door ons reeds betaalde legeskosten. 4.7. Op dit laatste heeft het college bij de onder 1.1 vermelde brief geantwoord: De Legesverordening bepaalt, dat het voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een partiële herziening van het bestemmingsplan een bepaald bedrag is verschuldigd. Dit ongeacht het feit of een aanvraag gehonoreerd wordt of niet, of de planherziening doorgaat enz. Een terugbetaling van leges kent de verordening niet. Dit houdt verband met het feit, dat deze kosten gekoppeld zijn aan het in behandeling nemen van een aanvraag. Aan uw verzoek kan dan ook niet worden voldaan. 4.8. Op 25 februari 1999 heeft belanghebbende aan het college geschreven dat er een ernstig verschil van mening dreigt te ontstaan over de leges en verzoekt, na een chronologische weergave van de voorgeschiedenis, nogmaals om terugbetaling van de ƒ 15 060 aan leges. 4.9. Bij de onder 1.2 vermelde brief heeft het college belanghebbende medegedeeld, dat het geen aanleiding vindt om terug te komen van zijn standpunt zoals uiteengezet in de brief van 2 februari 1999 en dat het het verzoek om teruggaaf dan ook niet zal honoreren. 4.10. Van de Legesverordening 1998, vastgesteld bij raadsbesluit van 11 november 1997, luiden de artikelen 2, 6, 7 en 10, voor zover hier van belang: Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'leges' worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 6 Tarieven 1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. (...) Artikel 7 Wijze van heffing De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Artikel 10 Teruggaaf 1. Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet (Stb. 1994, 762) en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling. 2. (...). 4.11. Van de genoemde tarieventabel luiden de onderdelen 5.9, 5.9.1 en 5.9.3, voor zover hier van belang: 5.9. Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor: 5.9.1. een partiële herziening van het bestemmingsplan bij een oppervlakte van de in de herziening betrokken gronden (...) - vanaf 10 001 m² [ƒ] 15 060,- 5.9.3. (...) De onder 5.9.1 en 5.9.3 genoemde leges worden ook geheven bij een ontwerp-partiële herziening van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De onder 5.9.1 en 5.9.2 en 5.9.3 genoemde leges worden aan de aanvrager in rekening gebracht in wiens belang de herziening uitsluitend of overwegend plaatsvindt. 5. Het geschil en de standpunten van partijen 5.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende aanspraak heeft op teruggaaf van de voormelde leges. 5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. 5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven - 5.3.1. namens belanghebbende: 5.3.1.1. Zij vond juist in de voormelde kosten van ƒ 147 118 reden om van haar bouwvoornemen af te zien. 5.3.1.2. De vraag is hier, wanneer de aanvraag nu geacht moet worden in behandeling te zijn genomen. Dat was nog niet het geval toen het college bij brief van 22 juni 1998 onder punt 3 meedeelde, eerst met het centrum van Nijkerk bezig te zijn. 5.3.1.3. Het betrokken tariefonderdeel van de Legesverordening 1998 voorziet niet in teruggaaf. 5.3.2. en namens het college: 5.3.2.1. Het betrokken bestemmingsplan is laatstelijk partieel herzien op 6 juni 1996. 5.3.2.2. Aparte tarieven voor het wijzigen van een bestemmingsplan komen ook voor in de model-legesverordening van de VNG. 5.3.2.3. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2001, nr. 36 112, kunnen leges ook verschuldigd zijn indien de aanvraag om een bouwvergunning tot afwijzing leidt. 5.3.2.4. De onderhavige aanvraag kan op 23 februari 1998 geacht worden in behandeling te zijn genomen. 5.3.2.5. Op het terrein ten noorden van B is ook naderhand geen andere supermarkt gerealiseerd. 6. Beoordeling vooreerst van de ontvankelijkheid van het beroep 6.1. Belanghebbende doet op de voet van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 231 van de Gemeentewet een beroep op het gerechtshof kennelijk om formele rechtskracht te voorkomen van de beslissing die in de onder 1.3 genoemde brief is vervat en van het besluit dat in de onder 1.2 genoemde brief is vervat. 6.2. De zo-even bedoelde beslissing strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar als 'bezwaarschrift' betitelde brief van 19 april 1999. Al verwijst de beslissing niet naar een administratieve of rechterlijke voorziening, belanghebbende heeft die beslissing opgevat - en dat gelet op vorm en inhoud redelijkerwijs kunnen en mogen doen - als een voor beroep vatbare uitspraak op haar bezwaarschrift tegen een weigering tot het verlenen van teruggaaf en derhalve, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2000, nr. 35 041, BNB 2000/171*, terecht de weg naar het hof gevonden. 6.3. Het beroep is ontvankelijk. 7. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar 7.1. Tot de voormelde weigering heeft het college besloten op een aanvraag tot teruggaaf. Volgens het onder 4.10 genoemde artikel 242, eerste lid, voor zover hier van belang, in samenhang met het tweede lid en met artikel 233a, kan degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak heeft op (onder meer) teruggaaf, binnen zes weken nadat die aanspraak is ontstaan of, indien op dat tijdstip nog niet is kennisgegeven van een gevorderd bedrag, een aanvraag om teruggaaf indienen bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar. 7.2. Noch de onder 1.1 noch de onder 1.2 bedoelde brief bevat een verwijzing naar een openstaand rechtsmiddel. 7.3. De Legesverordening 1998 kent geen recht op (vrijstelling, vermindering, ontheffing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.