18 juni 2002 pachtkamer rolnummer 2001/064 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, procureur: mr P.C. Plochg, tegen: 1 [geïntimeerde sub 1] , 2. [geïntimeerde sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, procureur: mr N.J.L.M. Rijssenbeek. 1Het geding in eerste aanleg De pachtkamer van het kantongerecht te Zierikzee heeft op 15 december 2000 tussen partijen een vonnis gewezen dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. Naar de inhoud daarvan word verwezen voor het procesverloop in de eerste aanleg, de beslissing en de gronden daarvoor. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 12 januari 2001 is appellant, [appellant] , in hoger beroep gekomen van bovengenoemd vonnis met dagvaarding van geïntimeerde, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , voor dit hof. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] worden gedagvaard om op nader aan te voeren gronden te horen eis doen en concluderen als in het petitum van de appeldagvaarding vermeld. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd overeenkomstig het petitum van de appèldagvaarding. 2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] verweer gevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. 2.4 Beide partijen hebben nog een akte genomen, waarbij van de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] nadere producties zijn overgelegd. Daarna zijn de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3De grieven Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De vaststaande feiten De pachtkamer van het kantongerecht heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1 een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling als zodanig zijn geen grieven of bezwaren aangevoerd. Ook het hof zal daarom van die feiten uitgaan. 5De beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1 De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de pachtkamer van het kantongerecht dat de pachtovereenkomst, waarvan in dit geding sprake is, is gesloten tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 1] en dat [geïntimeerde sub 2] daarbij geen partij is geworden. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. In de aanhef van de pachtovereenkomst worden [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gezamenlijk aangemerkt als de pachter. Aan het slot van de overeenkomst is slechts [geïntimeerde sub 1] als pachter genoemd en de overeenkomst is alleen door [geïntimeerde sub 1] getekend. Uit dit laatste kan nog niet zonder meer worden geconcludeerd dat [geïntimeerde sub 2] niet naast [geïntimeerde sub 1] als pachter moet worden aangemerkt. [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds hebben immers op 5 februari 1996 ook nog een (andere) overeenkomst gesloten, die zij noemen “ontbinding pachtovereenkomst”. Ook in die overeenkomst worden [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gezamenlijk de pachter genoemd. In de overwegingen voorafgaande aan de feitelijke afspraak is onder meer vermeld “ dat blijkens de pachtovereenkomst van 5 februari 1996 verpachter aan pachter heeft gepacht een gebouw te gebruiken voor de uitoefening van een varkensbedrijf...”, waarna de nadere afspraak wordt vermeld onder het hoofd “verklaren nader te zijn overeengekomen:”. Uit deze overeenkomst volgt dat partijen beoogd hebben [geïntimeerde sub 2] pachter te doen zijn naast [geïntimeerde sub 1] dan wel [geïntimeerde sub 2] alsnog pachter hebben willen doen zijn. De overeenkomst is bovendien door zowel [geïntimeerde sub 1] als [geïntimeerde sub 2] als pachter ondertekend, terwijl voor de uitvoering van die overeenkomst domicilie wordt gekozen ten woonhuize van [geïntimeerde sub 2] . Gelet op de duidelijke tekst van de vorenbedoelde, mede door [geïntimeerde sub 2] ondertekende, overeenkomst is het hof behoudens door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te leveren tegenbewijs van oordeel, dat [geïntimeerde sub 2] mede als pachter dient te worden aangemerkt. De tekst van de tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gesloten exploitatieovereenkomst is in dit opzicht slechts van zijdelingse betekenis, aangezien [appellant] daarbij geen partij is. Evenmin is van wezenlijke betekenis wie de feitelijke exploitatie van de stal heeft verzorgd of voor wiens rekening en risico de verzorging van de in de stal gehouden varkens kwam, aangezien een en ander uitvloeisel kan zijn van tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gemaakte afspraken, waar [appellant] in beginsel buiten staat. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben bewijs aangeboden van hun stelling dat het nooit de bedoeling (naar het hof aanneemt: van alle partijen, dus ook [appellant] ) is geweest dat [geïntimeerde sub 2] als medepachter zou optreden, maar dat er sprake is van een typefout. Zij hebben aangeboden daartoe (personen van) het boekhoudbureau [naam bureau] dat de contracten heeft opgesteld, te doen horen. Zij zullen tot het leveren van tegenbewijs worden toegelaten. Een definitief oordeel over grief I wordt aangehouden. 5.2 De tweede en derde grief zullen gezamenlijk worden behandeld. [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds hebben op dezelfde datum, waarop de eigenlijke pachtovereenkomst is gesloten, een aanvullende overeenkomst gesloten. Daarbij is overeengekomen, dat de pachtovereenkomst wordt ontbonden met ingang van de datum dat artikel 11 van de exploitatie overeenkomst (tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ) inzake het opfokken en mesten van vleesvarkens van kracht wordt, dan wel deze overeenkomst wordt ontbonden. Deze overeenkomst, die beoogt de eerder gesloten pachtovereenkomst aan te vullen met de hiervoor genoemde mogelijkheid van ontbinding, dient te worden aangemerkt als een wijzigingsovereenkomst. Deze wijzigingsovereenkomst is niet door de grondkamer goedgekeurd. Dit brengt mede dat partijen daaraan slechts in zoverre zijn gebonden dat zij niet eenzijdig kunnen terugtreden (art. 10 Pw). Derhalve behoefde [appellant] niet mee te werken aan beëindiging van de pachtovereenkomst toen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hem deden weten, dat de exploitatieovereenkomst inmiddels was ontbonden. Dit brengt weer mede dat niet behoeft te worden onderzocht of inderdaad die overeenkomst op deugdelijke gronden is geëindigd zoals door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] wordt gesteld, maar door [appellant] wordt betwist. Uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen blijkt dat het hof de overeenkomst, waarbij een aanvullend beding is overeengekomen, niet aanmerkt als een overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst, zodat reeds op die grond onjuist is de stelling dat in het onderhavige geval sprake is van een beëindigingsovereenkomst, die feitelijk is uitgevoerd, zodat het ontbreken van de goedkeuring door de grondkamer geen effect zou hebben. Echter, ook indien de overeenkomst wel als een beëindigingovereenkomst zou moeten worden aangemerkt is er geen sprake van een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst ten gevolge van het in werking treden van de ontbindende voorwaarde. Immers, anders dan door de pachtkamer van het kantongerecht is overwogen, is geen feitelijke uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Van een feitelijke uitvoering van de overeenkomst kan slechts sprake zijn indien uit feitelijke handelingen van beide partijen blijkt, dat de ene partij, de verpachter, het object niet meer ter beschikking houdt, terwijl de andere partij, de pachter geen gebruik meer van het object maakt. Deze situatie doet zich hier niet voor. In het onderhavige geval is slechts sprake van een eenzijdige handeling van de pachters, die afzien van het verdere gebruik van het gepachte. Uit het feit dat [appellant] het object te koop heeft aangeboden volgt nog niet dat hij feitelijk met beëindiging heeft ingestemd. Dit te koop aanbieden heeft immers plaatsgevonden geruime tijd nadat het gebruik door de pachter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.