Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 01/00548 U i t s p r a a k op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ingediende aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2000. 1. Aanslag en bezwaar 1.1. Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal 2000 een aangifte omzetbelasting ingediend, gedagtekend 17 juli 2000, welke is binnengekomen ter inspectie op 18 juli 2000. In deze aangifte heeft belanghebbende een omzet aangegeven van ƒ 3.516 belast tegen het normale tarief van 17,5%, zijnde ƒ 615. De voorbelasting in deze periode bedroeg ƒ 564. Het per saldo verschuldigde bedrag aan te betalen omzetbelasting over deze periode bedroeg aldus ƒ 51. 1.2. Belanghebbende heeft tegen het bedrag dat als belasting door haar op aangifte is voldaan bezwaar ingediend. Dit bezwaarschrift is ter inspectie binnengekomen op 24 juli 2000. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak van 5 januari 2001 het bezwaarschrift afgewezen. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof met een beroepschrift binnengekomen bij het Hof op 5 februari 2001. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 november 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, [A], als gemachtigde van belanghebbende, [Y], echtgenoot van belanghebbende, [B], tot bijstand van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]. 1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. 1.6. Tijdens de zitting heeft de Inspecteur een ongedateerde, zeer recent uitgebrachte schriftelijke beschouwing overgelegd, afkomstig van de kennisgroep "Omzetbelasting, algemeen en overige belastbare feiten", inzake de uitleg van onderdeel e van post 1 van bijlage J van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Uitvoeringsbeschikking). Belanghebbende heeft, na inhoudelijke kennisname en na het geven van een inhoudelijke reactie hierop, ingestemd met de inbreng van deze beschouwing, 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is kunstenares en levert in die hoedanigheid keramische producten. Het gaat hier om sierschalen, rechtopstaande voorwerpen, borden, bekers, blokken, e.d., welke op verschillende wijzen worden vervaardigd. 2.2. Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven dat in het onderhavige tijdvak, beschouwd naar vervaardigingswijze, twee soorten keramische producten zijn geleverd. 2.2. Voor een omzetbedrag van ƒ 3.164 heeft belanghebbende sierschalen geleverd. Omdat belanghebbende zelf geen keramist is, geeft zij aan anderen opdracht onbewerkte ruwe sierschalen te produceren (gieten/draaien en één keer bakken) en aan haar te leveren, waarvan de vorm door haar wordt voorgeschreven door middel van tekeningen en waarvan de afmetingen overeenkomstig de door haar verstrekte gegevens dienen te zijn. Wijzigingen ten aanzien van de mal, indien de schalen gegoten worden, worden in haar opdracht doorgevoerd, onder meer ten aanzien van de randen (minder scherp) en de onderzijden ten behoeve van het aanbrengen van bevestigingsmateriaal. De geleverde ruwe schalen worden vervolgens door haar bewerkt en voorzien van afbeeldingen. De afbeeldingen worden in de vorm met potlood aangebracht, met penselen ingekleurd, geglazuurd en gebakken, welk proces zo nodig diverse keren wordt herhaald. De afbeeldingen staan veelal in het teken van eigen thema's, waarbij een 2-dimensionale aanpak wordt gehanteerd die sterk verwant is met werken op papier. De aldus aangebrachte afbeeldingen zijn uniek. Hoewel de afbeeldingen in het teken van bepaalde thema's worden aangebracht, zijn er geen afbeeldingen die nagenoeg identiek zijn. Alle voorwerpen worden gesigneerd door belanghebbende. Zo'n schaal wordt door belanghebbende verkocht voor een prijs van ongeveer ƒ 700. 2.4. Voor een bedrag van ƒ 352 heeft belanghebbende in het onderhavige tijdvak rechtopstaande keramische voorwerpen geleverd. Voor de vervaardiging van deze voorwerpen maakt belanghebbende gebruik van een gipsen mal die iets gevormd is. Het resultaat van dit gietwerk is een platte, lichtgebogen plaat klei, die vervolgens door belanghebbende wordt bewerkt door delen er uit te snijden en twee of meer delen aan elkaar te zetten. Na het bakken van dit product worden afbeeldingen aangebracht waarbij dezelfde werkwijze wordt gevolgd als vermeld onder 2.3 bij het aanbrengen van afbeeldingen op de aldaar beschreven schalen. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil of de geleverde producten vallen onder post a 29 van tabel I, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet). 3.2. Belanghebbende is van mening dat de producten unieke kunstvoorwerpen zijn welke onder de hiervoor genoemde tabelpost kunnen worden gerangschikt, nu deze zowel onder post 1(e), als onder 1(a), en 1(c), van bijlage J behorende bij de Uitvoeringsbeschikking, kunnen worden gerangschikt. 3.3. De Inspecteur stelt daarentegen dat de producten alleen aan de voorwaarden van post 1(e), van bijlage J behorende bij de Uitvoerings-beschikking, kunnen worden getoetst. Daarbij concludeert de Inspecteur dat de producten niet onder genoemde tabelpost kunnen worden gerangschikt, aangezien de voorwerpen niet als uniek kunnen worden aangemerkt en niet geheel met de hand van de kunstenaar zijn vervaardigd daar gebruik wordt gemaakt van een mal dan wel de ruwe schalen worden vervaardigd door derden. 3.4. De standpunten van partijen zijn neergelegd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij in de zitting behoudens hetgeen hiervoor is opgenomen, geen nieuwe argumenten toegevoegd. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet worden onder meer aan het verlaagde omzetbelastingtarief onderworpen de leveringen van goederen als vermeld in tabel I, a 29, onderdeel b, zijnde - voorzover hier van belang - "kunstvoorwerpen voor zover deze worden geleverd door de maker (…)". Ingevolge artikel 2a, eerste lid, onderdeel m, van de Wet zijn kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten de goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen. Artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking verwijst in dit verband naar bijlage J bij de Uitvoeringsbeschikking. In post 1 van bijlage J zijn onder meer de volgende goederen als "kunstvoorwerpen" aangewezen: 'a. schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen, schilderijen en tekeningen (…) (GN-code 9701); (…) c. originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal waarvan zij vervaardigd zijn, mits het werk geheel van de hand van de kunstenaar is; afgietsels van beeldhouwwerken in een oplage van maximaal acht exemplaren, die door de kunstenaar of diens rechthebbenden wordt gecontroleerd (GN-code 9703 00 00); (…) e. unieke voorwerpen van keramiek, geheel van de hand van de kunstenaar en door hem gesigneerd; (…)' 4.2. Anders dan belanghebbende verdedigt kunnen goederen niet worden gerangschikt onder meerdere posten als genoemd in bijlage J behorende bij de Uitvoeringsbeschikking, aangezien bijlage J niet zodanig is opgesteld dat daarin zowel algemene als bijzondere posten zijn opgenomen die een rangschikking onder meerdere posten mogelijk maakt. Daarbij komt dat de door belanghebbende geleverde producten voorwerpen van keramiek zijn, welke niet kunnen worden beschouwd als 'schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen (…)', als bedoeld in post 1(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.