24 december 2002 derde civiele kamer rolnummer 2002/458 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: 1 [appellant sub 1], en 2 [appellant sub 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek, tegen: 1 [geïntimeerde sub 1], en 2 [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats], geïntimeerden, procureur: mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune. 1 Het geding in eerste aanleg De arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft op 11 oktober 2001 een tussenvonnis en op 21 februari 2002 een eindvonnis uitgesproken in het geschil tussen appellanten, hierna te noemen [appellant] (in enkelvoud), als eisers en geïntimeerden, hierna te noemen [geïntimeerde] (in enkelvoud), als gedaagden. Beide vonnissen, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, zijn in kopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 17 mei 2002 heeft [appellant] [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van beide vermelde vonnissen, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof dat eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen conform het in de inleidende dagvaarding geformuleerde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd dat het hof het eindvonnis waarvan beroep, al dan niet onder wijziging en/of verbetering van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (lees:) het hoger beroep. 2.4 Daarna is arrest bepaald op heden. 3 De vaststaande feiten Tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 1 tot en met 4 vastgestelde feiten is geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1 Tegen het vermelde tussenvonnis van de rechtbank is geen grief gericht, zodat [appellant] in zoverre in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 4.2 De kern van het geschil tussen partijen is het volgende. Na de eigendomsoverdracht van het perceel [...], hierna te noemen: de woning, door [geïntimeerde] aan [appellant] heeft [appellant] ontdekt dat in de cementen dekvloer van de twee slaapkamers aan de voorzijde van de woning een grote diepe scheur voorkomt die geheel doorloopt in de lengterichting van de slaapkamers, alsmede dat die vloer ter plaatse van de scheidingswand circa 1 à 1,5 cm hoger is dan in de richting van het midden van de vloer. [appellant] wil op die vloer parket aanbrengen. Daarvoor zijn egalisatiewerkzaamheden vereist. Bovendien wil hij daar een ruim tweepersoons waterbed van 800 à 1000 kg plaatsen, hetgeen zonder ingrijpende werkzaamheden (o.m. het aanbrengen van twee stalen balken onder de verdiepingsvloer) niet mogelijk is, omdat de vloer onvoldoende draagvermogen bezit. [appellant] stelt zich op het standpunt dat te dezen sprake is van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW en vordert op die grond van [geïntimeerde] als verkoper de noodzakelijke herstelkosten ad € 5.241,16 inclusief BTW met rente en (buitengerechtelijke) kosten. 4.3 [appellant] heeft het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken. 4.4 Partijen twisten over de vraag of die scheur er al zat ten tijde van de verkoop van de woning door [geïntimeerde] aan [appellant]. Volgens [appellant], die zich te dezen beroept op het inspectierapport van Pythagoras Bouwmanagement B.V. d.d. 28 februari 2001 en de brief van ing. De Rijck van Pythagoras aan [appellant sub 2] d.d. 7 maart 2001, is de scheur terug te voeren tot een uitvoerings- en/of constructiefout ten tijde van de bouw van de woning in 1979 en moet derhalve zijn ontstaan direct na ingebruikname van de woning door de eerste bewoner. [geïntimeerde] betwist dit, stellende dat hij niet bekend is geweest met een scheur in de vloer in de slaapkamers en dat hij bij het vernieuwen van de vloerbedekking - kennelijk na aankoop door hem van de woning in 1995 - geen scheur heeft geconstateerd. Hij suggereert dat de scheur is ontstaan nadat [appellant] het waterbed heeft geplaatst. 4.5 De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 8 geoordeeld dat vaststaat dat sprake is van een constructiefout. Deze vaststelling is in hoger beroep niet bestreden. [appellant] heeft ook in hoger beroep gesteld dat sprake is van een constructiefout en [geïntimeerde] erkent in zijn reactie op grief I dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat sprake is van een constructiefout. 4.6 Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] bekend is geweest met de constructiefout, inhoudende dat de litigieuze verdiepingsvloer niet het in het bestek voorziene draagvermogen heeft van 200 kg/m2 maar feitelijk slechts van 150 kg/m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.