4 november 2003 vierde civiele kamer rolnummer 2002/067 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, procureur: mr J.M. Bosnak, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr F.J. Boom. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof heeft bij tussenarrest van 25 maart 2003, alvorens verder te beslissen, een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft ter terechtzitting van 7 mei 2003 plaats gehad. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. 1.2 Partijen hebben vervolgens wederom arrest gevraagd. 2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep 2.1 De vrouw heeft tijdens de comparitie van partijen onder meer verklaard dat zij akkoord is gegaan met uitstel van de datum van indiening van de hypotheekofferte tot en met 7 juni 1999. Haar in de processtukken ingenomen standpunt dat de man door het verstrijken van de datum 1 juni 1999, welke datum een -reeds in maart 1999 aan de man bekend- "fataal karakter" heeft, in gebreke bleef om zijn verplichting tot het verstrekken van genoemde offerte na te komen, met gevolg dat artikel 1f van het convenant in werking is getreden, acht het hof reeds daarom niet houdbaar. 2.2 Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. Uit het over en weer gestelde blijkt dat de man ten tijde van ondertekening van het convenant door partijen (de vrouw heeft op 27 mei 1999 ondertekend; de man stelt dat hij, in weerwil van de datum naast de door hem geplaatste handtekening -31mei 1999- eerst op 3 juni 1999 heeft ondertekend) niet over een hypotheekofferte in de zin van het convenant beschikte. De vrouw heeft weliswaar in appèl gesteld (memorie van grieven onder 20) dat haar later is gebleken dat de man al op 12 april 1999 een hypotheekofferte ter zake van het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag in zijn bezit had en dat hij deze dus direct na herinnering had kunnen verstrekken, maar uit de door de man overgelegde producties blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat bedoelde offerte niet geschikt was om als offerte voor financiering van de vergoeding wegens overbedeling te worden gebruikt, zoals de man ter comparitie heeft verklaard, aangezien de offerte van april 1999 erop gebaseerd was dat beide partijen gehuwd bleven. 2.3 Het hof neemt derhalve als vaststaand aan dat de man ten tijde van ondertekening (daargelaten of dit nu op 31 mei 1999 of op 3 juni 1999 heeft plaats gehad) alsnog een offerte bij zijn bank moest aanvragen. Uit het in 2.2 overwogene moet voorts worden opgemaakt dat ook de vrouw bij ondertekening van het convenant daarvan is uitgegaan. Met het verkrijgen van een dergelijke offerte zal doorgaans minstens enkele dagen gemoeid zal zijn (de vrouw spreekt in de memorie van grieven van zes dagen). Gelet daarop is niet verdedigbaar dat de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in artikelen 1 e en f van het convenant genoemde termijn (de man moet vóór juni 1999 een bindende hypothecaire offerte ter hoogte van de volledige afkoopsom aan de vrouw doen toekomen) mochten toekennen, deze was dat de termijn als "fatale termijn" zou gelden in die zin dat het niet voor die datum doen toekomen van een bindende offerte zou meebrengen dat "de man afstand doet van bewoning van het huis" in de zin van artikel 1 f (met welke woorden kennelijk is bedoeld toedeling van het huis aan hem). Het hof vindt hierbij ook steun in de brief van de bemiddelaar ([F.J.]) van 12 augustus 1999 aan de toenmalige advocaat van de man (productie conclusie van dupliek in conventie), waar deze schrijft dat de belangrijkste reden om zich als bemiddelaar terug te trekken gelegen was in de strikt formele wijze waarop de vrouw zich opstelde direct na ondertekening van het convenant en dat hij haar opstelling niet kan zien als een constructieve bijdrage aan een zakelijke correcte afwikkeling van de boedelscheiding op basis van redelijkheid en billijkheid. De aan het proces-verbaal van comparitie gehechte brief van [F.J.] aan de vrouw van 22 april 2003 aan de vrouw, waarin [F.J.] schrijft dat er termijnen in het convenant zijn afgesproken die fataal zijn voor beide partijen en dat hij dit tijdens de onderhandelingen nadrukkelijk onder de aandacht van partijen heeft gebracht doet aan het voorgaande niet af gelet op hetgeen daarbij met betrekking tot het uitstel van de datum van de hypotheekofferte is overwogen. 2.4 De rechtbank heeft -in hoger beroep onweersproken- vastgesteld (rechtsoverweging 7.4 van het vonnis van 10 augustus 2000) dat de vrouw op 11 juni 1999 de voor akkoord getekende offerte via de bank had ontvangen. Tevens staat vast dat de man de vrouw bij brief van 11 juni 1999 heeft bericht dat hij "maandag j.l." (opmerking hof: dat moet maandag 7 juni 1999 geweest zijn) met de hypotheekverstrekker heeft gesproken over het afhandelen van de offerte, die de man al geruime tijd in huis had (kennelijk: de offerte van april 1999), dat die offerte onjuist te naam was gesteld, omdat de notaris eerst de akte van verdeling moet hebben voordat hij verder kan, dat de notaris het convenant nog niet had en dat stuk niet eerder dan maandag 7 of dinsdag 8 juni j.l. kon hebben en dat de man met de bank heeft afgesproken om de offerte te sturen en met de notaris een definitieve afspraak te maken. Tevens staat vast dat notaris Blankhart bij brief van 16 juni 1999 aan de man heeft bericht dat de akte van verdeling (houdende toedeling en levering van de woning aan de man) en de hypotheekakte op 21 juni 1999 zouden worden gepasseerd. Het hof neemt aan dat de notaris aan de vrouw -wat betreft de akte van verdeling- een brief van gelijke strekking heeft gezonden. In ieder geval heeft de man de vrouw bij eerder genoemde brief van 11 juni 1999 laten weten dat bemiddelaar [F.J.] een afspraak met de notaris heeft gemaakt op 21 of 22 juni 1999. Op grond van het voorgaande zou het derhalve mogelijk zou zijn geweest de woning ruimschoots voor de in het convenant genoemde datum (1 juli 1999) aan de man over te dragen. Het hof merkt daarbij op dat artikel 1f vooraf wordt gegaan door de vet gedrukte zinsnede: "Man zal huis aan de vrouw toescheiden na 1 juli a.s.: 1 f. tot en met 1 j." Het hof houdt het ervoor de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepalingen van het convenant (met name de artikelen 1 e en 1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.