17 februari 2004 pachtkamer rekestnummer P 2003/751 G e r e c h t s h o f t e A r n h e m Beschikking in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [van de V.] B.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch, appellante, procureur: mr F.J. Boom, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente 's-Hertogenbosch, zetelende te 's-Hertogenbosch, geïntimeerde, procureur: mr F.J. Boom. 1 Het geding in eerste aanleg De pachtkamer van de rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft op 9 september 2003 tussen appellante, verder te noemen [van de V.] B.V., als verzoekster en geïntimeerde, verder te noemen de gemeente, als verweerster een beschikking gegeven. Van die beschikking is een afschrift aangehecht. Volgens het op die beschikking voorkomende stempel is de beschikking op 10 september 2003 door de griffier van die rechtbank naar [van de V.] B.V. verzonden. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [van de V.] B.V. is bij op 10 oktober 2003 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van vorenbedoelde beschikking. Zij heeft daarbij grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd, bewijs aangeboden en het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en de door haar verzochte verlenging alsnog toe te wijzen voor de wettelijke periode, subsidiair tot het moment dat de gemeente daadwerkelijk feitelijk een aanvang neemt met de werkzaamheden op de grond ten behoeve van de woningbouw. 2.2 Bij op 10 november 2003 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift heeft de gemeente verweer gevoerd, producties overgelegd en het hof verzocht om [van de V.] B.V. in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [van de V.] B.V. in de kosten van dit hoger beroep. 2.3 Op 19 januari 2004 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [van de V.] B.V. is verschenen haar directeur [naam directeur], bijgestaan door mr A.M. Rottier, advocaat te 's-Hertogenbosch. Namens de gemeente zijn verschenen de heren [...], beiden werkzaam op de afdeling verwerving van de afdeling grondzaken van de gemeente, bijgestaan door mr drs H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft bij die gelegenheid het procesbesluit overgelegd. Van de zijde van partijen zijn inlichtingen aan het hof verstrekt, waarna de advocaten de wederzijdse standpunten hebben toegelicht, mr Rottier mede aan de hand van pleitnotities. 3 De vaststaande feiten 3.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet voldoende weersproken het navolgende vast. 3.2 Tussen de gemeente en [van de V.] B.V. bestaat een pachtovereenkomst, op grond waarvan [van de V.] B.V. van de gemeente pacht een perceel land, totaal groot 7.74.10 ha, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, sectie U nr 147. 3.3 De pachtovereenkomst is oorspronkelijk aangegaan door de gemeente en de rechtsvoorganger (zijnde de vader van [naam directeur]) van de rechtsvoorganger (zijnde [naam directeur]) van [van de V.] B.V. voor de duur van zes jaren. De op schrift gestelde pachtovereenkomst vermeldt onder meer dat zij ingaat op 31 december 1980. De pachtovereenkomst is op 21 januari 1981 bij de grondkamer voor Noord-Brabant ingekomen en op 6 maart 1981 door die grondkamer goedgekeurd. De huidige pachttermijn eindigt op 30 december 2004. 3.4 Bij brief van 27 maart 2003 heeft de gemeente aan [van de V.] B.V. medegedeeld dat zij de pachtovereenkomst niet wenst te verlengen. 3.5 Bij brief van 3 april 2003 heeft de advocaat van de gemeente aan de gemachtigde van [van de V.] B.V. onder andere het volgende bericht: "De bovenstaande vordering [i.e. tot vergoeding van 50 % van de waarde van het met het gepachte samenhangende melkquotum vermeerderd met wettelijke rente; toevoeging hof] is gebaseerd op de eigen mededelingen van uw cliënte over de omvang van het melkquotum. Omdat mijn cliënte deze omvang nog niet heeft kunnen controleren, wordt uw cliënte tevens gesommeerd om binnen twee weken na dagtekening van deze brief verificatoire bescheiden te doen toekomen waaruit de omvang van het melkquotum blijkt dat samenhing met het ge-pachte object. Tevens wordt uw cliënte gesommeerd de verkoopovereenkomst van het quotum over te leggen." 3.6 Bij brief van 1 mei 2003 heeft de gemachtigde van [van de V.] B.V. aan de advocaat van de gemeente onder andere het volgende bericht: " In onderhavige zaak heb ik uw brief van 3 april jl. inmiddels besproken met de directie van cliënte, hetgeen heeft geleid tot de volgende reactie. Melkquotum Dit onderdeel van het geschil is thans onder de rechter in het kader van het door mij namens cliënte opgestarte procedure bij de Pachtkamer te Den Bosch. Namens cliënte heb ik verzocht om verlenging van de tussen onze cliënten bestaande pachtovereenkomst. Cliënte zal derhalve niet ingaan op uw sommaties met betrekking tot het melkquotum." 4 De mondelinge behandeling Ter zitting van het hof is, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Door [naam directeur]: Ik ben 41 jaar oud en ongehuwd. Ik heb geen kinderen. Ik woon in de provincie Groningen. Daar heb ik een akkerbouw-en pluimveebedrijf. Het bedrijf is, exclusief de in geschil zijnde ongeveer 7 ha, 180 ha groot. Ik heb een batterijstal voor zo'n 47.000 kippen. Naast die kippen houd ik nog een paar koeien, bij wijze van hobby. Daarnaast verbouw ik wintertarwe, suikerbieten en koolzaad en heb ik nog een stuk grond verplicht braak liggen. Mijn bedrijf in Brabant heb ik in 1996 gedeeltelijk verkocht; ik heb toen 16 ha aan Delta Lloyd verkocht. Verder heb ik een deel van het bedrijf in 1999 aan [T.] verkocht, waarna alleen nog de pachtgrond resteerde. Op die grond heb ik in het afgelopen jaar en in een paar daaraan voorafgaande jaren wintertarwe verbouwd. Die tarwe gebruik ik om mijn kippen te voeren. Lange tijd heb ik die grond in eigen beheer bewerkt, met machines die ik daar nog had staan; vorig jaar liet ik een loonwerker het werk doen. Mijn vader, van wie ik het bedrijf had overgenomen, woont in 's-Hertogenbosch en hield het allemaal in de gaten. In het jaar 2004 moet ik 5 % van mijn grondareaal braak laten liggen. Ik wil daarvoor in 2004 de in geschil zijnde grond gebruiken. Mijn pluimveebedrijf vergt veel toezicht van mij en voldoet aan alle eisen. Mijn bedrijfsresultaten over 2002 waren, als gevolg van een sterk gezakte tarweprijs, niet zo goed. In de herfst van 2003 is de tarweprijs ineens met 50 % gestegen, waardoor de resultaten over 2003 beter zullen zijn. Ik heb de laatste jaren veel afschrijvingslasten gehad, als gevolg van het opbouwen vanaf 1996 van een geheel nieuw bedrijf in Groningen. Het melkquotum heb ik in 1999 verkocht. Op advies van mijn adviseur en met instemming van de fiscus heb ik het geld dat ik kreeg voor de verkoop van het melkquotum fiscaal voordelig kunnen investeren in mijn nieuwe bedrijf. Door mijn adviseur is tegen de gemeente gezegd dat ik wel tot een financiële regeling wilde komen. Er is vervolgens gesproken over een bod van de gemeente, maar bij dat bod werd geen waarde toegekend aan de koopoptie die ik heb. Ik heb het melkquotum verkocht voordat er concrete besprekingen met de gemeente hebben plaatsgevonden. Die gesprekken met de gemeente, althans de perioden daartussen, duurden heel lang en de voortgang werd door de gemeente vertraagd. Op een gegeven moment kon ik niet meer wachten met de verkoop van het melkquotum. Ik had het deel van het melkquotum dat met het gepachte samenhangt kunnen uitsluiten bij de verkoop en het dan kunnen verhuren, maar het punt was dat toen ook al het structureel verleasen van melk-quotum ter discussie stond. In 1999 heb ik de koopoptie niet ingeroepen. In het begin hebben vooral mijn adviseurs met de gemeente contact gehad over het melkquotum. In 2001, dus na de verkoop van het quotum, heb ik zelf met de gemeente gesproken. Mijn adviseur [naam adviseur] heeft in de zomer van 1999 contact gehad met de heer [G.V.] van de gemeente. Toen is er in januari of februari 2000 een brief gekomen. Er is een bespreking met de heer [G.V.] op het kantoor van ABAB geweest, in aanwezigheid van de heer [S.]. Ik heb belang bij behoud van het gepachte, ook als de pachtovereenkomst slechts gedeeltelijk zou worden verlengd. Het kan dan gewoon meedraaien in mijn bedrijf. Ik heb alle door de gemeente benodigde gegevens verschaft. Zij hebben aan de hand daarvan berekeningen van het melkquotum kunnen maken. Toen wij de brief van de advocaat van de gemeente kregen met een verzoek om verstrekking van nadere gegevens had ik de koopoptie inmiddels ingeroepen. Mijn adviseur vond het toen kennelijk niet meer nodig die gegevens te verschaffen. Als het op een paar stukken aankomt, kan de gemeente die krijgen. Namens de gemeente: In het bestemmingsplan Groote Wielen heeft het verpachte voor 1/3 de bestemming wonen gekregen een voor 2/3 de bestemming water en groenvoorziening. De grond met de woonbestemming hebben we voorlopig nog niet nodig; de realisatie van die bestemming zal pas plaatsvinden in 2009. Met betrekking tot het andere stuk grond heeft een aanbestedingsprocedure plaatsgevonden. Die grond zal vanaf 2005 worden gebruikt voor de opslag van grond die elders wordt gebruikt. Door [G.V.]: Ik heb in 1999 op geen enkele manier contact gehad met iemand van ABAB, ook niet met [naam adviseur]. Op 22 februari 2000 heb ik voor het eerst wat vernomen van ABAB via een brief van die datum. De gesprekken met [van de V.] vonden pas plaats in 2001. 5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1 De grieven van [van de V.] B.V. tegen de beschikking waarvan beroep stellen aan de orde de vraag of de pachtkamer in eerste aanleg terecht haar verlengingsverzoek op grond van artikel 39 van de Pachtwet heeft afgewezen. 5.2 De gemeente stelt zich op het standpunt dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Op de eerste plaats voert zij daartoe aan dat [van de V.] B.V. zonder medeweten van de gemeente het met het verpachte samenhangende melkquotum heeft verkocht en weigert de daardoor bij de gemeente ontstane schade te vergoeden. Op de tweede plaats voert de gemeente daartoe aan dat [van de V.] B.V. de bescheiden waaruit de omvang van dat quotum blijkt alsmede de verkoopovereenkomst van het quotum weigert over te leggen. 5.3 [van de V.] B.V. heeft tegen dat standpunt, kort gezegd, het volgende verweer gevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.