18 mei 2004 derde civiele kamer rolnummer 2001/846 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen NV, voorheen Centraal Beheer Schadeverzekering NV, gevestigd te Apeldoorn, appellante, procureur: mr J.S.E. Vermeulen, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr J.M.J. Huver. 1 Het geding in eerste aanleg De rechtbank te Arnhem heeft op 28 augustus 1997, 2 april 1998 en 8 juni 2000 tussenvonnissen en op 11 januari 2001 een eindvonnis gewezen in het geschil tussen appellante, hierna: Centraal Beheer, als gedaagde en geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde], als eiseres. Een kopie van elk van deze vonnissen is aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 10 april 2001 is Centraal Beheer in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft Centraal Beheer vijf grieven aangevoerd en gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in beide instanties. 2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (zo nodig met aanvulling of verbetering van gronden) de bestreden vonnissen zal bevestigen en Centraal Beheer zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Ter terechtzitting van dit hof van 8 oktober 2003 hebben partijen hun standpunten bepleit. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij die gelegenheid is aan Centraal Beheer akte verleend van het overleggen van producties. 2.5 Ten slotte zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De vaststaande feiten In rechtsoverweging 2.3 van het bestreden tussenvonnis van 28 augustus 1997 zijn een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling als zodanig zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof bij de beoordeling eveneens van die feiten zal uitgaan. 4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd - dat voor recht zal worden verklaard dat Centraal Beheer aansprakelijk is voor de schade van materiële en immateriële aard, die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van een op 17 juni 1990 in Turkije plaatsgevonden verkeersongeval, - dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld tot vergoeding van de, bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade en - dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld in de proceskosten. 4.2 [geïntimeerde] zat op de hiervoor vermelde datum als passagier in een auto met een Nederlands kenteken. Deze auto is in een slip geraakt, is van de rijbaan geraakt, heeft een naast de rijbaan geparkeerde bromfiets geraakt en is vervolgens ongeveer 40 meter naar beneden gevallen. [geïntimeerde] heeft door dit ongeval rugletsel opgelopen; over de omvang en gevolgen van dit letsel bestaat tussen partijen discussie. Bij Centraal Beheer was ten tijde van het ongeval een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering aangaande die auto afgesloten. 4.3 [geïntimeerde] houdt Centraal Beheer aansprakelijk voor haar schade. Centraal Beheer heeft zich daartegen verweerd, onder meer met een beroep op verjaring van het gevorderde naar Turks recht. Volgens haar was de verjaring namelijk reeds twee jaren na het ongeval voltooid terwijl de dagvaarding in de onderhavige zaak pas op 23 mei 1995 is betekend (zie conclusie van antwoord § 5, memorie van grieven § 1.4 en pleitnota § 1.2 tot en met § 1.5.1). De rechtbank heeft het beroep op verjaring in rechtsoverweging 2.5 van het bestreden tussenvonnis van 8 juni 2000 verworpen, omdat naar haar oordeel niet het Turkse recht, maar het Nederlandse recht van toepassing is, nu er sprake is van een eenzijdig ongeval als bedoeld in art 4, aanhef en onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.