4 januari 2005 derde civiele kamer rolnummer 2004/00395 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Rijssen-Holten, zetelend te Rijssen-Holten, appellante, procureur: mr J.M. Bosnak, tegen: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats], geïntimeerden, procureur: mr W.D. Huizinga. 1 Het geding in eerste aanleg De rechtbank Almelo, sector Kanton, locatie Almelo (hierna: de kantonrechter), heeft op 2 september 2003 een tussenvonnis en op 2 maart 2004 een eindvonnis uitgesproken in het geschil tussen appellante (hierna: de gemeente), als gedaagde, en geïntimeerden (hierna: gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] en afzonderlijk te noemen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]), als eisers. Van de beide vonnissen is een kopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 19 april 2004 is de gemeente in hoger beroep gekomen van voormelde vonnissen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof. 2.2 De gemeente heeft bij memorie van grieven drie grieven aangevoerd tegen de door haar bestreden vonnissen, producties overgelegd en gevorderd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en - naar het hof begrijpt - opnieuw recht doende de vordering van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, [geïntimeerden] zal veroordelen tot (terug)-betaling aan de gemeente van een bedrag van € 6.256,39, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2004, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties. 2.3 [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de gemeente niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans de vordering tot vernietiging van de bestreden vonnissen zal afwijzen en deze vonnissen zal bekrachtigen met veroordeling van de gemeente in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Ter terechtzitting van het hof van 10 november 2004 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, de gemeente door mr J.J. van der Helm, advocaat te ’s-Gravenhage, en [geïntimeerden] door mr R. Arends, advocaat te Surhuisterveen. Elk van beiden heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, waarbij de gemeente een productie heeft overgelegd en [geïntimeerden] twee producties. 2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De vaststaande feiten In rechtsoverweging 1 van het tussenvonnis van 2 september 2003 zijn onder a. tot en met e. feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof bij de beoordeling eveneens van die feiten zal uitgaan. 4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1 Volgens [geïntimeerden] is de gemeente niet-ontvankelijkheid in het appèl nu de bestreden vonnissen zijn gewezen tegen [de] gemeente Rijssen, appellante zich noemt: de gemeente Rijssen-Holten en zij heeft verzuimd om aan te geven op welke grond zij bevoegd is om te appelleren. 4.2 Het hof overweegt hierover als volgt. De Wet gemeentelijke herindeling in een deel van Twente van 13 september 2000, Stb. 349, is op 15 september 2000 in werking getreden. Krachtens artikel 5 van genoemde wet werden de beide gemeenten Rijssen en Holten, zoals deze tot 15 september 2000 bestonden, opgeheven. In de plaats van deze twee gemeenten is één nieuwe gemeente aangewezen, die in de tabel bij het vermelde wetsartikel Rijssen is genoemd. Bij het door de gemeente bij pleidooi overgelegde besluit van 15 maart 2002 heeft de raad van die gemeente Rijssen, gebruik makend van de hem bij artikel 158 van de Gemeentewet toegekende bevoegdheid, de naam van de gemeente per 15 maart 2003 gewijzigd in Rijssen-Holten. Ten tijde van het uitbrengen - op 17 januari 2003 - van de dagvaarding in eerste aanleg was de naamswijziging dus nog niet in werking getreden, maar toen de gemeente de dagvaarding in appèl liet uitbrengen droeg de gemeente wel haar nieuwe naam. Appellante is dus dezelfde (publiekrechtelijke) rechtspersoon als de gedaagde in eerste aanleg. Het hof verwerpt daarom het beroep op niet-ontvankelijkheid. 4.3 Ten gronde gaat het in deze zaak om het volgende. Op 29 januari 2001 te (circa) 18.45 uur is op de Nijverdalseweg te Rijssen een verkeersongeval gebeurd doordat de personenauto van [geïntimeerden] in een in die weg geplaatste bussluis reed. [geïntimeerde sub 1] trad op als bestuurder van die auto en [geïntimeerde sub 2] zat op de passagiersplaats naast hem. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg veroordeling van de gemeente gevorderd tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van dit ongeval hebben geleden, op de grond dat hierbij sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis bewijsopdrachten aan [geïntimeerden] gegeven en in het eindvonnis de gemeente, rekening houdend met eigen schuld van [geïntimeerden], veroordeeld tot betaling van tweederde gedeelte van de door [geïntimeerden] bewezen schade-omvang (te vermeerderen met de wettelijke rente en met proceskosten). 4.4 Grief I houdt in dat de bewijsopdracht ten onrechte zodanig is geformuleerd dat het juridische oordeel over aansprakelijkheid van de gemeente niet door een oordeel van de kantonrechter, maar door de perceptie van getuigen wordt bepaald. Het hof stelt voorop dat de kantonrechter bij de uiteindelijke beoordeling van het geschil niet is gebonden aan de formulering van de bewijsopdracht. Indien grief I een terechte klacht inhoudt, zou de grief dus pas kunnen slagen indien de kantonrechter haar - in het eindvonnis gegeven - oordeel over de vraag of de vordering uit juridisch oogpunt gegrond is ook daadwerkelijk zou hebben laten afhangen van de meningen van de getuigen. Dat dit laatste het geval is heeft de gemeente - terecht - niet aangevoerd. Met name uit de rechtsoverwegingen 4 en 5 van het eindvonnis blijkt dat de kantonrechter aan de bewijsopdracht niet de door de gemeente gewraakte strekking heeft toegekend, maar dat zij zich uitsluitend voor wat betreft feiten en omstandigheden heeft gebaseerd op (onder meer) de inhoud van getuigenverklaringen en een eigen oordeel geeft over de aan haar voorgelegde rechtsvragen. Nu de gemeente zich evenmin erover beklaagt dat zij de bewijsopdracht verkeerd heeft begrepen en daardoor niet goed in staat is gesteld om (tegen)bewijs te leveren, verwerpt het hof grief I. 4.5 Grief II betreft het oordeel in het eindvonnis, dat de gemeente aansprakelijk is. [geïntimeerden] achten de gemeente aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Het feit dat de gemeente bevoegd was om verkeersmaatregelen te nemen en deze fysiek te ondersteunen, bijvoorbeeld door het aanleggen van de onderhavige bussluis, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de gewone rechtsregels gelden bij de door die vordering en het daartegen gevoerde verweer opgeworpen vraag of de aanleg van de bussluis een zodanig gevaar voor eens anders persoon of goed in het leven heeft geroepen, dat hij jegens verkeersdeelnemers die als gevolg daarvan schade lijden een onrechtmatige daad oplevert. Tussen partijen staat vast dat de onderhavige bussluis, in elk geval voor verkeersdeelnemers die niet de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betrachten, zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert. Dat betekent dat de gemeente aansprakelijk is indien vast komt te staan dat zij er onvoldoende voor heeft gezorgd dat de veiligheid van personen en zaken ook na de aanleg van de bussluis voor dergelijke (minder oplettende) verkeersdeelnemers voldoende gewaarborgd was (HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547 Reptax). Bij de beoordeling daarvan zal het hof letten op de mate van waarschijnlijkheid, waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid van de verkeersdeelnemers kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst van de in dat geval mogelijke gevolgen en de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136; HR 28 mei 2004, RvdW 2004, 76). 4.6 Bestuurders van een personenauto die, zoals [geïntimeerde sub 1], de Nijverdalseweg op 29 januari 2001 in zuidelijke richting volgden, zagen deze weg op het moment dat zij de kruising met de Heliumstraat en Ambachtstraat naderen als een recht voor hen liggende kaarsrechte weg, die daardoor en doordat hij door borden en wegmarkeringen als voorrangsweg werd aangeduid als het ware uitnodigde tot rechtdoor rijden (zie de door beide partijen overgelegde foto’s en de bij conclusie van antwoord als productie 1 overgelegde plattegrond). De weg liep door een industrieterrein, hetgeen al evenmin een reden was om bedacht te zijn op de aanwezigheid van bussluizen of andere obstakels. Dat ettelijke bestuurders geen rekening hielden met de door de bussluis opgeroepen gevaren blijkt voorts uit het feit dat in de relatief beperkte periode van 23 december 2000 tot 29 januari 2001 meerdere auto’s in de bussluis zijn beland ([geïntimeerden] spreken in § 4 van de conclusie van repliek - onweersproken - over een reeks van ongevallen en de getuige [getuige] kennelijk over een groot aantal in de bussluis belande auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.