Gerechtshof Arnhem eerste meervoudige belastingkamer nummer 02/03009 (vennootschapsbelasting) U i t s p r a a k op het beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting 1997. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. De aanslag is berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van ƒ 722.783 en bedraagt ƒ 253.973. Bij beschikking is voorts een bedrag aan heffingsrente vastgesteld van ƒ 27.002. 1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 oktober 2004 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur]. Voorts heeft het Hof als getuige gehoord [A]. 1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, exploiteert een handelsonderneming die zich bezighoudt met de handel in textiel. De inkoop vindt plaats in het buitenland. De inkoopprijzen luiden meestal in US$. Ter dekking van de US$-positie is belanghebbende een termijncontract aangegaan met de ABN AMRO Bank (verder: de bank). Dat termijncontract hield in dat belanghebbende de plicht had om bij de bank US$ te kopen tegen een tevoren vastgestelde koers. Met die ingekochte US$ kon belanghebbende voldoen aan de verplichtingen ter zake van de inkoop van handelswaar. 2.2. In het najaar van 1994 had belanghebbende de verplichting om meer US$ van de bank te kopen dan zij nodig had voor haar inkoopverplichtingen, waardoor met betrekking tot het voornoemde termijncontract een speculatieve positie is ontstaan. Omdat de US$-koers op dat moment lager was dan de koers waartegen de US$ van de bank moesten worden gekocht, zou belanghebbende een verlies leiden op het moment waarop de posities krachtens het termijncontract zouden moeten worden afgewikkeld. De bank heeft vervolgens, in september 1994, voorgesteld de positie “door te rollen”, dat wil zeggen: niet af te wikkelen in Nederlandse guldens, zodat het ongerealiseerde verlies op dat moment niet daadwerkelijk behoefde te worden genomen. 2.3. In het voorjaar van 1995 heeft de bank aan belanghebbende voorgesteld de positie te sluiten zodat, ingeval de US$ nog verder zou dalen, het verlies niet verder zou oplopen. Vervolgens hebben tussen belanghebbende en de bank besprekingen plaatsgevonden met betrekking tot het ongerealiseerde verlies in de positie. Tot de stukken van het geding behoort een brief van [A], destijds gemachtigde van belanghebbende, aan de bank van 14 april 1995, waarin hij de inhoud van de door hem namens belanghebbende gevoerde besprekingen met de bank heeft vastgelegd. 2.4. Belanghebbende en de bank hebben vervolgens een kredietregeling getroffen, waarbij de bestaande krediet- en rekeningcourantfaciliteiten werden gecontinueerd en het verlies als gevolg van de afgewikkelde US$-positie werd gefinancierd door middel van de verstrekking van een lening van ƒ 2.771.300. De in de brief van 7 juli 1995 neergelegde kredietregeling luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “Mede verwijzend naar (....) delen wij u mede, dat wij bereid zijn u te verlenen: - Een 5-jarige lening in hoofdsom groot ƒ 2.771.300,= (tweemiljoenzevenhonderdéénenzeventigduizenddriehonderd gulden) (...) Rente: 0% per jaar Aflossing: Aflossing zal plaatsvinden tot een maximum bedrag van ƒ 2.271.300,=: - gedurende 5 jaar uit 50% van de jaarwinst (telkens op 1 juli, voor het eerst op 1 juli 1996 over het winstsaldo van 1995 waarbij het door deze lening gefinancierde valutaverlies buiten beschouwing wordt gelaten) en/of - uit de eventuele verkoop door de bank voor of aan het einde van de 5-jaarsperiode (juli 2000) van de aan ons verpande aandelen [X] B.V. De alsdan nog eventueel uitstaande restschuld zal tot een maximum bedrag van ƒ 500.000 door de bank worden gekweten. (...)” Belanghebbende heeft deze schuld aan de bank per ultimo 1995 gewaardeerd op ƒ 2.771.300. 2.5. Tot de stukken van het geding behoort een memorandum van 6 januari 1997 van [A] voornoemd aan [B] van de bank. In dat memorandum deelt [A] mede dat [C], middellijk aandeelhouder van belanghebbende, bereid is de vordering van de bank op belanghebbende voor een bedrag van ƒ 1 miljoen van de bank over te nemen. Belanghebbende had tot op dat moment op de lening eenmalig - op 1 juli 1996 - een bedrag van ƒ 365.796 afgelost. 2.6. Blijkens een overeenkomst van 28 januari 1997 - welke tot de gedingstukken behoort - is de vordering van de bank op belanghebbende van nominaal ƒ 2.405.504 (ƒ 2.771.300 minus de aflossing ad ƒ 365.796) voor een bedrag van ƒ 1 miljoen overgedragen aan [C] voornoemd. [C] had op dat moment een 100%-aandelenbelang in [D/1] B.V. (verder: de moedermaatschappij), welke vennootschap op haar beurt een 100%-belang had in belanghebbende alsmede in [D/2] B.V. (verder: de zustermaatschappij). De moedermaatschappij, zustermaatschappij en belanghebbende vormden tezamen een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In een overeenkomst tussen [C] en de zustermaatschappij is in februari 1997 vastgelegd dat de aankoop van de vordering voor rekening en risico van de laatstbedoelde heeft plaatsgevonden. Deze zustermaatschappij heeft het bedrag van ƒ 1 miljoen geleend van de moedermaatschappij. 2.7. Op 1 mei 1997 heeft belanghebbende ƒ 130.000 nominaal aandelen-kapitaal aan de zustermaatschappij uitgegeven. De zustermaatschappij had op voornoemd tijdstip nog geen aandelen in belanghebbende en verkreeg door de uitgifte van nominaal ƒ 130.000 aandelenkapitaal een aandelenbelang in belanghebbende van 65%. Het aandelenkapitaal is volgestort door middel van inbreng van de vordering van de zustermaatschappij op belanghebbende. Het verschil tussen het bedrag van de stortingsverplichting van ƒ 130.000 en het nominale bedrag van de vordering ad ƒ 2.405.504 is in de jaarrekening van belanghebbende als agio verwerkt. Vervolgens - eveneens op 1 mei 1997 - zijn de door de zustermaatschappij in belanghebbende verkregen aandelen verkocht en geleverd aan de moedermaatschappij, dat daarmee weer alle aandelen in belanghebbende in handen kreeg. De koopprijs van de aandelen bedroeg ƒ 1 miljoen. 2.8. Per 1 januari 1998 is belanghebbende (opnieuw) als dochtermaatschappij opgenomen in de fiscale eenheid met de moedermaatschappij en de zustermaatschappij. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht een correctie van ƒ 1.405.504 heeft aangebracht op de door belanghebbende aangegeven belastbare winst in het onderhavige jaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. De door de Inspecteur toegepaste correctie ter zake van de hogere boekwinst op het pand is niet meer in geschil. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de eerdergenoemde pleitnota’s. Voor de ter zitting toegevoegde klachten en/of verweren verwijst het Hof naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot nihil en tot vaststelling van het belastbaar bedrag op ƒ 667.217 negatief. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. De Inspecteur stelt in beroep onder meer dat de onder 2.4 bedoelde kredietregeling van 7 juli 1995 een aantal aspecten heeft op basis waarvan geconcludeerd moet worden dat die regeling mede tot stand is gekomen omdat de bank min of meer ernstige verwijten kon worden gemaakt omtrent de oorzaak en omvang van de geleden valutaverliezen. Belanghebbende heeft daardoor naar zijn mening een potentiële claim op de bank gekregen, die - zolang de omvang daarvan nog onduidelijk was - op nihil mocht worden gewaardeerd. Hij stelt dat het met de bank bestaande geschil over belanghebbendes schuldpositie eerst in 1997 definitief is afgewikkeld, te weten op het moment waarop de bank akkoord is gegaan met overdracht van de vordering voor een koopprijs van ƒ 1 miljoen. Op grond van het feit dat in 1997 ƒ 1 miljoen is betaald voor een schuldvordering van op dat moment nominaal ƒ 2.405.504 concludeert de Inspecteur dat de bank uiteindelijk impliciet heeft erkend aansprakelijk te zijn voor bepaalde schade en dat de daarop betrekking hebbende claim van belanghebbende op de bank kennelijk ruim ƒ 1,4 miljoen waard was. Belanghebbende had de latente claim naar de mening van de Inspecteur per tijdstip van de verkoop van de vordering door de bank moeten waarderen op ƒ 1.405.504. Ter zake van de verkoop van de vordering heeft belanghebbende vervolgens stilzwijgend afgezien van haar rechten om de bank aan te spreken op vergoeding van de ontstane schade, hetgeen ertoe moet leiden dat het bedrag van ƒ 1.405.504 in het onderhavige jaar tot de winst moet worden gerekend. 4.2. Belanghebbende heeft daartegenover gesteld dat van een claim van belanghebbende op de bank geen sprake is geweest. Als daarvan al sprake zou zijn geweest, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat die claim zijn weerslag heeft gevonden in de voorwaarden van de eerdergenoemde - onder 2.4 bedoelde - kredietregeling uit 1995. 4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met hetgeen hij in dezen naar voren heeft gebracht, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende als gevolg van vermeend verwijtbaar handelen van de bank een juridisch afdwingbare claim zou hebben verkregen op de bank. De door de Inspecteur genoemde omstandigheden - te weten: de lening is renteloos, een bedrag van ƒ 500.000 behoefde niet te worden terugbetaald en [A] heeft de bank namens belanghebbende aan het slot van de brief van 14 april 1995 “om formele redenen” aansprakelijk gesteld - bieden daarvoor naar het oordeel van het Hof onvoldoende grond. 4.4. Uit de stukken van het geding, in het bijzonder de brief van 14 april 1995, kan naar het oordeel van het Hof weliswaar worden afgeleid (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.