5 april 2005 eerste civiele kamer rolnummer 2004/354 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: Mr. Johannes Antonius Maria Pius Keijser, wonende te Nijmegen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Gieterij Doesburg B.V., gevestigd te Doesburg, appellant, procureur: mr. W. Aerts, tegen: de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, procureur: mr. J.C.N.B. Kaal. 1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank Zwolle van 6 augustus 2003, gewezen tussen appellant (hierna: de curator) als eiser en geïntimeerde (hierna: Fortis) als gedaagde. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het verloop van de procedure in hoger beroep 2.1 De curator is bij exploot van 16 oktober 2003 van genoemd vonnis van 6 augustus 2003 in hoger beroep gekomen, met dagvaarding van Fortis voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft de curator negen grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en Fortis alsnog zal veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan hem te betalen € 1.588.230,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2001, dan wel 15 februari 2002, tot aan de dag van algehele voldoening, subsidiair te vermeerderen met de hoogst mogelijke depositorente die de curator over het saldo had kunnen verkrijgen, te rekenen vanaf 12 december 2001 dan wel 15 februari 2002 tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van Fortis in de proceskosten in beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft Fortis verweer gevoerd, bewijs aangeboden, een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest de curator in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze zal ontzeggen, het vonnis waarvan beroep – eventueel met verbetering van gronden – zal bekrachtigen en de curator in de kosten van deze procedure zal veroordelen en het arrest ten aanzien van die kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. 2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De beoordeling in hoger beroep 3.1 Tegen de door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd. Het hof zal dan ook van die feiten uitgaan. Met zijn grieven beoogt de curator het geschil in zijn geheel aan het hof voor te leggen. 3.2 Het geschil betreft de vraag of de curator een vordering van f 3,5 miljoen op Fortis heeft gekregen als gevolg van de creditering met dit bedrag van de op naam van Gieterij Doesburg B.V. (hierna: Gieterij Doesburg) staande en bij Fortis aangehouden rekening met nummer [...] op 12 december 2001. De curator stelt dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, omdat de creditering, zoals tussen partijen vaststaat, plaatshad na het uitspreken van het faillissement van Gieterij Doesburg op dezelfde datum. Voor zover Fortis ten tijde van de creditering als gevolg van de verleende kredieten een vordering op Gieterij Doesburg had, kon zij deze op grond van het in artikel 53 Faillissementswet (Fw) bepaalde derhalve niet meer met het als gevolg van genoemde creditering aan Gieterij Doesburg verschuldigde verrekenen. Fortis betwist het standpunt van de curator gemotiveerd; daarop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 3.3 Met de curator is het hof van oordeel dat de hoofdregel van artikel 53 Fw als uitgangspunt moet worden genomen. Dat betekent dat Fortis haar schuld aan Gieterij Doesburg uitsluitend met haar vordering op Gieterij Doesburg kan verrekenen, indien beide vóór de faillietverklaring zijn ontstaan of voortvloeien uit handelingen die Fortis vóór de faillietverklaring met Gieterij Doesburg heeft verricht. Niet in geschil is dat de vordering van Fortis op Gieterij Doesburg vóór de faillietverklaring is ontstaan (en dus ook voortvloeit uit handelingen die beide vóór de faillietverklaring met elkaar hebben verricht). De vordering heeft immers betrekking op de kredieten die Fortis aan Gieterij Doesburg en Vulcanus B.V. (hierna: Vulcanus) heeft verstrekt en voor de aflossing waarvan Gieterij Doesburg en Vulcanus zich bij onderhandse akte van 13 februari 1997 hoofdelijk jegens de rechtsvoorgangster van Fortis hebben verbonden. Vast staat ook dat de vordering van Gieterij Doesburg op Fortis uit de hiervoor genoemde creditering pas na de faillietverklaring is ontstaan. De situatie dat zowel de vordering van Fortis op als haar schuld aan Gieterij Doesburg voor de faillietverklaring van Gieterij Doesburg zijn ontstaan, doet zich dus niet voor. 3.4 De vraag is dan ook of Fortis vóór de faillietverklaring van Gieterij Doesburg (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.