9 augustus 2005 vijfde kamer rolnummer 2004/812 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M A r r e s t in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1], gevestigd te [vestigingsplaats], en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 2], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten, procureur: mr. J.C.N.B. Kaal, tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging De Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid, handelende onder de naam FNV Bouw, geïntimeerde, procureur: mr. P.A.C. de Vries. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 5 april 2004, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 19 mei 2004, hersteld bij exploot van 2 juli 2004 hebben twee van de drie gedaagden in eerste aanleg, te weten de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 2] aan geïntimeerde, verder FNV Bouw, aangezegd in hoger beroep te komen tegen genoemd vonnis van de kantonrechter en hebben zij haar gedagvaard voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven hebben appellanten drie grieven aangevoerd, bewijs aangeboden, en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, FNV Bouw alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar die vordering zal ontzeggen, met haar veroordeling in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft FNV Bouw de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof appellanten niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering in hoger beroep, althans die vordering zal afwijzen en hen zal veroordelen in de kosten van de procedure. 2.4 Daarna is arrest gevraagd. 3 De beoordeling van het hoger beroep. 3.1 Het hof gaat uit van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld, nu daartegen geen grieven zijn aangevoerd. 3.2 Eén van die feiten is dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.], enig bestuurder en statutair directeur van appellanten ( verder: [de B.V.]), aan de werknemers van appellanten die niet hebben deelgenomen aan de werkstaking een bonusuitkering ter grootte van € 300,--heeft toegekend. [de B.V.], één van de drie gedaagden in eerste aanleg, is niet in hoger beroep gekomen. Dat betekent dat het hof heeft uit te gaan van het bestreden vonnis, voor zover het is gewezen tussen [de B.V.] en FNV Bouw, en met name heeft uit te gaan van de verklaring voor recht dat het [de B.V.] niet is geoorloofd bij de toekenning van de bonusuitkering van € 300,-- in 2002 aan werknemers in dienst van gedaagden sub 2 en 3 (de huidige appellanten) onderscheid te maken tussen stakers en niet-stakers. 3.3 FNV Bouw werpt in hoger beroep als eerste argument op dat beide appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep; [de B.V.] vertegenwoordigt immers de beide appellanten en dus moet de conclusie zijn dat niet alleen [de B.V.] maar ook beide appellanten erkennen dat het hun niet is toegestaan bij het toekennen van de bonus onderscheid te maken tussen stakers en niet-stakers, aldus FNV Bouw. Appellanten voeren aan dat de reden dat [de B.V.] geen hoger beroep heeft ingesteld is dat zij het vanzelfsprekend vindt dat een werkgever geen onderscheid mag maken bij het toekennen van een bonus tussen stakers en niet-stakers, ook zonder dat hieraan een verklaring voor recht ten grondslag ligt. [de B.V.] hééft geen onderscheid gemaakt tussen stakers en niet-stakers, maar heeft uitsluitend aan de werknemers die hebben doorgewerkt tijdens de staking haar waardering voor hun extra inzet willen laten blijken, zo begrijpt het hof het standpunt van appellanten. 3.4 Het hof begrijpt het appèl in die zin dat appellanten in wezen de beslissing van de kantonrechter bestrijden dat [de B.V.] en zijzelf de stakingsvrijheid door hun optreden (dat wil zeggen: [de B.V.] door het verzenden van de omstreden brief en appellanten door de betaling van de bonus) hebben belemmerd; volgens hen heeft de bonus niets te maken met de staking zelf maar is zij de uiting van de waardering voor het feit dat het werk onder de staking niet heeft geleden. In die zin begrepen hebben appellanten belang bij de behandeling van de grieven en kunnen zij worden ontvangen in hun appèl. 3.5 Grief 1 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat FNV Bouw voldoet aan de eisen die de wet stelt voor het instellen van een rechtsvordering. Appellanten voegen daaraan toe dat de overweging van de kantonrechter juist is voor zover het gaat om de toegewezen verklaring voor recht. De grief betreft volgens hen alleen de vordering van de individuele werknemers van appellanten; FNV Bouw heeft immers niet kenbaar gemaakt van welke van haar leden zij opdracht heeft gekregen de bonuskwestie aan de rechter voor te leggen en appellanten betwisten om die reden dat FNV Bouw zich in deze procedure als belangenbehartiger kan opwerpen van individuele werknemers van appellanten die daarop geen prijs stellen. 3.6 De grief faalt. Vaststaat dat FNV Bouw een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. FNV Bouw stelt met de gevorderde verklaring voor recht een rechtsvordering in ter bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, welke belangen zij blijkens de overgelegde statuten behartigt. Ingevolge artikel 5 van haar statuten behartigt de bond immers onder andere de sociale, maatschappelijke en economische belangen van werknemers, speciaal werknemers in de bedrijfstakken bouw- en houtnijverheid. Hetzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de gevorderde veroordeling tot betaling van de bonus, die nauw verband houdt met de verklaring voor recht. FNV Bouw treedt in deze procedure niet op namens werknemers van appellanten maar handelt op grond van een eigen belang, bestaande uit het behartigen van het sociaal en economisch belang van de stakende bouwwerknemers. Dit zijn belangen die behoren tot de belangen die FNV Bouw ingevolge artikel 5 van haar statuten behartigt. Argumenten om een collectief actierecht in de wet op te nemen waren de omstandigheid dat belangenorganisaties in rechte kunnen optreden in aangelegenheden waar per individu geringe, maar in hun totaliteit aanzienlijke belangen in het spel zijn die, indien het initiatief aan ieder individu zelf wordt overgelaten, niet of onvoldoende worden beschermd; voorts de omstandigheid dat voor belangenorganisaties de drempels in de toegang tot de rechter minder hoog zijn, en tenslotte dat van het collectief actierecht een belangrijke preventieve werking kan uitgaan (Tweede Kamer, 22 486, Memorie van Toelichting, nr. 3, p.2). Deze omstandigheden doen zich hier alle voor. Indien er een staker mocht zijn die zich verzet tegen werking van de uitspraak van de rechter dan heeft deze ten aanzien van hem geen gevolg (zie artikel 3:305 a, lid 5 van het Burgerlijk Wetboek, met de uitzondering aan het slot). 3.7 Appellanten beroepen zich verder op het vierde lid van artikel 3:305 a BW, inhoudende dat een gedraging niet ten grondslag kan worden gelegd aan een rechtsvordering als bedoeld in lid 1, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bezwaar maakt. Zij verwijzen naar de Memorie van Toelichting, pagina
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.