22 november 2005 vijfde civiele kamer rolnummer 2004/511 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Albert Heijn B.V., gevestigd te Zaandam, appellante, procureur: mr J.C.N.B. Kaal, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr H. van Ravenhorst. 1 Het verdere verloop van het geding 1.1. Bij arrest van 16 november 2004 heeft het hof Albert Heijn in de gelegenheid gesteld tot het leveren van bewijs dat [geïntimeerde] op 27 mei 1994 niet over uisnippers of visresten is uitgegleden en niet daardoor is komen te vallen. 1.2 Daartoe heeft Albert Heijn drie getuigen doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zichzelf doen horen. Daarna heeft ieder van de partijen een memorie na enquête en contra-enquête genomen. Vervolgens hebben partijen hun zaak op 14 oktober 2005 doen bepleiten, [geïntimeerde] door mr H. Mollema-De Jong, advocaat te Amersfoort en Albert Heijn door mr M. Eijkelenboom, advocaat te Rotterdam. 1.3 Nadien hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De nadere beoordeling van het geschil 2.1 Het hof handhaaft hetgeen bij arrest van 16 november 2004 is overwogen. De van de zijde van Albert Heijn voorgebrachte getuige [getuige 1] heeft op 26 januari 2005 verklaard dat de vloer waarop [geïntimeerde] op 27 mei 1994 is gevallen, toen schoon was en dat hij op deze vloer toen geen ui- of visresten heeft aangetroffen. Op 4 november 1994 heeft deze getuige onder meer tegenover de kantonrechter verklaard na de val [geïntimeerde] te hebben gekeken of er iets op de grond lag en dat dat niet het geval was. Hij heeft toen evenwel ook verklaard niet te hebben geweten hoe schoon de grond rond de haringkraam was. Op grond van de inhoud van deze verklaringen valt niet uit te sluiten dat [geïntimeerde] niettemin over uisnippers of visresten is gevallen. 2.2 Albert Heijn heeft op 8 december 1998 mevrouw [getuige 2] doen horen. Zij heeft onder meer verklaard na de val [geïntimeerde] niet te hebben gecontroleerd of de vloer in de buurt van de val van [geïntimeerde] schoon was. Voorts heeft zij toen verklaard dat het kon voorkomen dat er achter de kraam wel wat troep op de grond lag, maar dat het de opdracht was de grond aan de voorkant van de haringkraam goed schoon te houden en dat het haar ervaring was dat daaraan goed de hand werd gehouden. Ook deze verklaring sluit niet uit dat [geïntimeerde] over uisnippers of visresten is gevallen. 2.3 Voorts heeft Albert Heijn op 23 maart 2005 mevrouw [getuige 3] en mevrouw [getuige 4] doen horen. Uit hetgeen zij hebben verklaard volgt niet dat [geïntimeerde] niet over uisnippers of visresten is gevallen. 2.4 Voorts heeft [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in contra-enquête als getuige verklaringen afgelegd. Op 8 december 1998 heeft zij onder meer verklaard na haar val onder haar schoenen te hebben gekeken. Eerst zag zij niets, maar toen zij beter keek zag zij dat zij wat onder haar schoen had en dat dit ui was. Toen zij weer was opgestaan zag zij in haar directe omgeving nog snippers ui liggen. Op 23 maart 2005 heeft zij onder meer verklaard dat zij op 27 mei 1994 in het desbetreffende filiaal is gevallen en dat zij toen onder haar linkerschoen uisnippers heeft gezien. 2.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is Albert Heijn niet in het haar opgedragen bewijs geslaagd. Aldus dient er in rechte van te worden uitgegaan dat [geïntimeerde] op 27 mei 1994 in het Albert Heijnfiliaal [...] over uisnippers of visresten is uitgegleden en daardoor is komen te vallen. 2.6 Naar het oordeel van het hof brengt haringverkoop vanuit de kraam in het supermarktfiliaal, waarbij aan het winkelend publiek de mogelijkheid wordt geboden de aldus gekochte haring - al dan niet met bijgeleverde uisnippers - direct in de supermarkt op te eten, het risico mee dat de vloer sneller vervuild raakt dan anders. In dat geval ontstaat een verhoogd gevaar voor het op de grond raken van uisnippers en visresten op de vloer rond de haringkraam en de route die het publiek na de koop bij de kraam in het filiaal aflegt. Daarmee neemt het gevaar van uitglijden op die vloerdelen toe. Die vloerdelen zijn in zoverre vergelijkbaar met de vloer van de hierna te noemen groenteafdeling; op die afdeling schuilt immers ten opzichte van de rest van het filiaal ook een groter gevaar dat de vloer - met groenteresten -wordt vervuild, waardoor het gevaar op uitglijden groter wordt. 2.7 Albert Heijn is weliswaar niet gehouden deze vloerdelen gedurende de tijd dat het filiaal is geopend voortdurend en zonder enige onderbreking absoluut brandschoon te houden. Maar gedurende de periode dat op voormelde wijze haring in het filiaal wordt verkocht en aldaar wordt genuttigd, dient van de zijde van Albert Heijn overeenkomstig artikel 7:658 lid 1 BW extra oplettendheid te worden betracht op het schoonhouden van die vloerdelen en dient daartoe extra toezicht te worden uitgeoefend. Dit dient op gelijke wijze te geschieden als op de groenteafdeling. Op grond hiervan is Albert Heijn naar het oordeel van het hof in beginsel krachtens artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de aan [geïntimeerde] toegebrachte schade. Dit is slechts anders indien Albert Heijn aantoont dat zij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.