GERECHTSHOF ARNHEM TBS 2004\190 Beslissing d.d. 28 februari 2005 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verblijvende in [verblijfplaats]. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 29 juni 2004, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar. Overwegingen: ? Het hof zal de beslissing van de rechtbank te ’s Hertogenbosch van 29 juni 2004 vernietigen, daar het recht zal doen mede op nieuwe stukken. ? Zowel artikel 509x, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de rechter van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Er dient door het hof zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te worden beslist. Waar in beginsel de terbeschikkingstelling eindig is in die zin dat deze expireert op een ruimschoots tevoren bekende datum heeft zowel de rechtbank als het gerechtshof een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van de vordering tot verlenging over te gaan. De genoemde inspanningsverplichting dwingt tot een grotere spoed dan waarvan in de onderhavige zaak is gebleken. Het hof is met de advocaat van de terbeschikkinggestelde van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep 7 maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. Gelet op het specifieke karakter van de terbeschikkingstelling, waarbij beveiliging van de samenleving voorop staat, raakt een trage behandeling als regel de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet, maar kan in bijzondere gevallen een kortere verlenging van de terbeschikkingstelling dan de rechtbank heeft beslist geïndiceerd zijn. Dat zou met name het geval kunnen zijn ingeval een verlenging met twee jaren aan de orde is en de veiligheid van personen toelaat dat een overschrijding van de redelijke termijn, waarbinnen het gerecht tot een beslissing had dienen te komen, wordt vertaald in een verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt, mede in het licht van de omstandigheid dat er wel gepoogd is een eerdere datum te plannen voor de behandeling van het beroep. Voldoende is komen vast te staan dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Dit is van de kant van de terbeschikkinggestelde ook niet betwist. Evenmin is dit vereiste voor verlenging naar voren gebracht om te betogen dat de verlenging beperkt zou moeten blijven tot een jaar. Voor de beperking van de duur van de verlenging tot een jaar zijn van de kant van de terbeschikkinggestelde andere argumenten naar voren gebracht en wel de hierboven reeds genoemde argumenten. Het hof overweegt als volgt met verwijzing naar de nummering hierboven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.