23 januari 2006 eerste civiele kamer rekestnummer 2005/1292 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking in de zaak van: de maatschap [appellante], kantoorhoudende te Groningen, appellante, procureur: mr. F.J. Boom, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde], statutair gevestigd te Harfsen, kantoorhoudende te Goutum, geïntimeerde. 1 Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij beschikking van de rechtbank te Zutphen van 22 december 2005 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: de maatschap) strekkende tot faillietverklaring van geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) afgewezen. 1.2 Het hof verwijst naar voornoemde beschikking, die in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 30 december 2005 per fax en op 3 januari 2006 per gewone post ingekomen verzoekschrift is de maatschap in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking en heeft zij het hof verzocht deze te vernietigen en [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een brief met bijlage van 12 januari 2006 van de procureur. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2006, waarbij namens de maatschap is verschenen mr. D. Lacevic, advocaat te Groningen. Namens [geïntimeerde] is verschenen haar voormalige bestuurder [...]. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 3.2 De rechtbank heeft het verzoek van de maatschap tot faillietverklaring van [geïntimeerde] afgewezen, omdat niet aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers is voldaan. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat, nu de maatschap heeft aangegeven dat zij geen steunvordering kan noemen en [geïntimeerde] heeft betwist dat zij meerdere schulden onbetaald laat, niet is gebleken dat [geïntimeerde] in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. 3.3 De maatschap stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] niet in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Kort samengevat komt het standpunt van de maatschap er op neer dat, hoewel [geïntimeerde] inderdaad geen andere schulden heeft dan aan haar, de maatschap, uit de navolgende feiten en bijkomende omstandigheden moet worden afgeleid dat [geïntimeerde] in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. - [geïntimeerde] heeft een tweetal facturen van de maatschap wegens verleende rechtsbijstand van respectievelijk 22 en 28 januari 2004 tot een totaalbedrag van € 3.880,47 zonder protest ontvangen, behouden en ondanks diverse aanmaningen onbetaald gelaten; - op 17 december 2004 is [geïntimeerde] voor de rechtbank Leeuwarden gedagvaard, hetgeen heeft geleid tot een verstekvonnis van deze rechtbank van 21 januari 2005; - de vordering bedraagt thans inclusief (buiten-)gerechtelijke kosten maar exclusief de wettelijke rente € 4.909,87; Deze feiten gevoegd bij de omstandigheid dat op 28 juni 2005 [geïntimeerde] door de Kamer van Koophandel is ontbonden wegens gebrek aan baten, kunnen volgens de maatschap tot geen andere conclusie leiden dan dat [geïntimeerde] in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. De maatschap verwijst in dit verband naar een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 21 juni 2005, JOR 2005/225, een arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1982, NJ 1983, 12 en een arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1926, W
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.