24 januari 2006 eerste civiele kamer rolnummer 2003/631 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tandartsenpraktijk [A.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, procureur: mr. J.F.E. van Halder, tegen: de naamloze vennootschap Vitens Gelderland (NWG) N.V., voorheen N.V. Nuon Water Gelderland, gevestigd te Arnhem, geïntimeerde, procureur: mr. J.C.N.B. Kaal. 1 De voortzetting van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van de procedure tot 15 november 2005 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. 1.2 Daarop heeft [A.] B.V. de in rov. 2.4 van het vermelde tussenarrest bedoelde antwoordakte genomen en hebben partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep 2.1 In het tussenarrest van 2 augustus 2005 heeft het hof de zaak naar de rolzitting verwezen (onder meer) ten einde [A.] B.V. in de gelegenheid te stellen haar schadevordering nader te onderbouwen. In rov. 2.9 van dat tussenarrest heeft het hof overwogen dat het wil aannemen dat [A.] B.V. in haar administratie kan nagaan welke patiënten voor welke behandelingen en met welke financiële uitkomst zij op 11 en 12 december 2000 heeft ‘gemist’, alsmede dat het gaat om de winstderving op beide data. 2.2 [A.] B.V. heeft in haar akte na tussenarrest gesteld dat zij ‘helaas niet kan voldoen aan het verzoek van uw Gerechtshof om een patiëntenlijst te overhandigen, omdat hij daar uit hoofde van zijn medisch beroepsgeheim en uit hoofde van de Wet Bescherming Persoonsgegevens niet toe bevoegd is. Daar komt bij dat van tevoren nooit een deugdelijke inschatting gemaakt kan worden van de te verwachten financiële consequenties van een behandeling. De tandartsen van [A.] B.V. werken namelijk volgens het concept dat een gaatje direct gevuld wordt. Er kan nooit van te voren ingeschat worden of iemand 1, 2, 3 of helemaal geen gaatjes heeft.’ 2.3 Vervolgens heeft [A.] B.V. er dan ook voor ‘gekozen’ om haar accountant te laten vaststellen wat de gemiddelde dagomzet over het jaar 2000 was. Uit productie 1 bij die akte blijkt dat de gemiddelde dagomzet in 2000 € 2.766,-- heeft bedragen. Aldus komt [A.] B.V. tot een totaalvordering over de dagen 11 en 12 december 2000 van 2 x € 2.766,-- is € 5.532,--., en heeft zij haar eis dienovereenkomstig vermeerderd. Bij antwoordakte genomen op 6 december 2005 heeft zij verzocht het gevorderde schadebedrag uitvoerbaar bij voorraad toe te wijzen. 2.4 Nuon heeft de berekenmethode (zie rov. 2.3) van [A.] B.V. gemotiveerd bestreden. Terecht stelt Nuon zich op het standpunt dat indien al zou kunnen worden uitgegaan van de vermelde dagomzet, daarop dan in ieder geval de personeelskosten (zie productie 2 bij die akte van [A.] B.V.) in mindering zouden moeten worden gebracht. Naar ’s hofs oordeel is deze berekenmethode ook op zichzelf beschouwd ondeugdelijk, omdat met de wetenschap aangaande de gemiddelde dagomzet in het jaar 2000 geen antwoord is gegeven op de vraag welke schade [A.] B.V. heeft geleden op 11 en 12 december 2000, op welke data zij haar patiënten als gevolg van het onrechtmatig nalaten zijdens Nuon (zie rov. 2.5 van het tussenarrest van 2 augustus 2005) heeft moeten afzeggen. 2.5 [A.] B.V. heeft niet gesteld dat zij niet over gegevens betreffende de door haar op 11 en 12 december 2000 afgezegde patiënten beschikt. Het hof heeft niet overwogen, zoals [A.] B.V. stelt, dat [A.] B.V. een patiëntenlijst zou moeten overleggen, zodat het standpunt van [A.] B.V. dat haar medisch beroepsgeheim dan wel de Wet Bescherming Persoonsgegevens een beletsel zou vormen om de door het hof bedoelde gegevens te verstrekken bij gemis aan feitelijke grondslag moet worden verworpen. Vanzelfsprekend behoefde [A.] B.V. niet de namen van de patiënten prijs te geven, maar verwachtte het hof in ieder geval een lijst met gegevens waaruit zou blijken hoeveel patiënten [A.] B.V. door de afzegging op 11 en 12 december 2000 niet heeft kunnen behandelen. [A.] B.V. heeft bovendien gesteld dat zij tevoren nooit een deugdelijke inschatting kan maken van de te verwachten financiële consequenties van een behandeling. Ook dit standpunt wordt door het hof verworpen. [A.] B.V. had immers in haar administratie kunnen nagaan voor welk soort behandelingen (controle, kronen plaatsen, gaatjes vullen, etc) de afgezegde patiënten gekomen zouden zijn. Nuon merkt in haar antwoordakte bovendien terecht op dat de op die data ‘gemiste’ patiënten op een later tijdstip door [A.] B.V. zijn behandeld, zodat [A.] B.V. precieze informatie had kunnen verstrekken omtrent de door haar gederfde winst op de bewuste data. 2.6 Aldus heeft [A.] B.V., hoewel daartoe uitdrukkelijk door het hof in het tussenarrest van 2 augustus 2005 in de gelegenheid gesteld, nagelaten haar gestelde schade voldoende concreet te onderbouwen. Haar schadevordering ad € 5.532,-- ter zake van beweerdelijke gederfde winst is daarom niet voor toewijzing vatbaar. 2.7 Wel is (in beginsel) toewijsbaar vergoeding van de schade betreffende de op beide bewuste data doorlopende personeelskosten van [A.] B.V. In haar akte na tussenarrest becijfert [A.] B.V. die kosten op in totaal € 608,45 (productie 2 bij die akte). Nuon wijst erop dat [A.] B.V. die loonkosten bij conclusie van repliek (onder 28) had becijferd op in totaal f 1.215,-- (€ 551,34). Bij antwoordakte (onder 11) heeft [A.] B.V. hierop niet meer gereageerd. Het hof schrijft dit verschil toe aan het feit dat in de vermelde productie 2 wordt uitgegaan van ‘gemiddelde loonkosten’ in plaats van de concrete loonkosten. Nu Nuon de opgave van de loonkosten als vermeld in de conclusie van repliek onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zal het hof van dat bedrag uitgaan. 2.8 Over de derdenwerking van het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Nuon (zie rov. 2.10 van het tussenarrest van 2 augustus 2005) oordeelt het hof als volgt. Vast staat dat de waterleveringsovereenkomst, inclusief de algemene voorwaarden van Nuon, van kracht is tussen Nuon en [A.] (zie rov. 2.1 en 2.2 van het tussenarrest van 2 augustus 2005). [A.] gebruikte het door Nuon aan het adres [adres] geleverde water tevens voor zijn aldaar gevestigde praktijk als tandarts. [A.] heeft bij akte van 18 maart 1988 zijn eenmanspraktijk ingebracht in [A.] B.V., zonder Nuon dienaangaande te informeren. Aldus is [A.] B.V., als opvolgster van [A.] (als tandarts), sedert 1988 feitelijk gebruikster geweest van het door Nuon geleverde water. [A.] (als tandarts) heeft aldus [A.] B.V. - in zijn contractuele relatie ten opzichte van Nuon: feitelijk - in zijn plaats gesteld. [A.] B.V. was vanzelfsprekend op de hoogte van de contractuele relatie inclusief algemene voorwaarden tussen [A.] en Nuon. In de inleidende dagvaarding (onder 1) presenteerde [A.] B.V. zich dan ook (zij het juridisch ten onrechte) als contractspartij van Nuon onder verwijzing naar de algemene voorwaarden van Nuon. Gelet op de aard van de onderhavige overeenkomst van waterlevering en de bijzondere relatie waarin [A.] B.V. staat ten opzichte van Nuon als waterleverancier, moet [A.] B.V. in de gegeven omstandigheden het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Nuon in redelijkheid tegen zich laten gelden. 2.9 Hiermee is de vraag aan de orde of het bewuste exoneratiebeding in artikel 20 lid 3 van de algemene voorwaarden van Nuon (zie voor de tekst van dat beding het vonnis waarvan beroep onder 1.6, slot) aan toewijzing van de vermelde schadevergoeding ad € 551,34 in de weg staat. 2.10 Het hof oordeelt hierover als volgt. Uit de artikelen 7 lid 2 en 8 lid 2 van de algemene voorwaarden van Nuon (zie voor de tekst het vonnis waarvan beroep onder 1.6) volgt de bevoegdheid van Nuon om werkzaamheden te verrichten, zoals zij in casu op 11 en 12 december 2000 heeft verricht. Artikel 20 lid 3 sluit (ook) voor die gevallen vergoeding van schade uit (onder meer) ‘als gevolg van bedrijfsstilstand’ en ‘als gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een beroep of als gevolg van winstderving’. De litigieuze (in beginsel toewijsbare) schadeclaim van [A.] B.V. valt onder de reikwijdte van de vermelde uitsluitingen van artikel 20 lid 3. 2.11 Met betrekking tot het beroep van Nuon op de exoneratie in artikel 20 lid 3 van haar algemene voorwaarden heeft [A.] B.V., zo verstaat het hof haar posita, uitdrukkelijk de volgende verweren gevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.