17 januari 2006 Familiekamer Rekestnummer 819/2005 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, verder te noemen “de man”, procureur mr T.J. van Veen, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, verder te noemen “de vrouw”, procureur mr A. Kos. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 17 mei 2005, uitgesproken onder rekestnummer 122325 / FA RK 04-10066. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 16 augustus 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en die alimentatie met ingang van 1 januari 2005 vast te stellen op € 910,- per maand, althans op een door het hof juist geacht bedrag. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 23 september 2005, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 december 2005 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr R.F. Vonk en mr C.J. van Dijk, beiden advocaat te Ede, en de vrouw bijgestaan door haar procureur. 3 De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 3.1 Partijen zijn op 24 februari 1984 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 5 december 2002 heeft de rechtbank te Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 december 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: - [dochter], op [geboortedatum] 1995 en - [zoon], op [geboortedatum] 1999, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats bij de vrouw. 3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank te Arnhem bepaald dat de inhoud van het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant, gedateerd november 2002, deel uitmaakt van die beschikking. 3.4 In dat convenant zijn partijen voor zover hier van belang het volgende overeengekomen: “Artikel 1 : Alimentatie 1. Bij de berekening van de alimentatie en de kosten van levensonderhoud zal gedurende de gehele periode dat er sprake is van levensonderhoud- en/of alimentatieplicht aan de zijde van de man worden uitgegaan van woonlasten aan de zijde van de man van € 550,- per maand met indexering. 2. De man zal voldoen aan kinderalimentatie een bedrag ad € 900,- per maand en aan partnerschapalimentatie een bedrag ad € 2.200,- bruto per maand. De totale maandelijkse alimentatie ad € 3.100,- dient elke maand bij vooruitbetaling aan de vrouw te worden voldaan. Deze alimentatieregeling gaat in per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking. Tot die tijd zal de man aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting voldoen, zoals dat nu ook feitelijk uitvoering vindt. Per januari van elk jaar zullen de alimentatiebedragen worden vermeerderd met de wettelijke indexering.” 3.5 Omdat een jaarlijks door de man te ontvangen bonus is komen te vervallen hebben partijen in onderling overleg de alimentatiebedragen met ingang van 1 april 2004 gewijzigd in € 870,- per maand voor beide kinderen samen en € 1.870,- per maand voor de vrouw. 3.6 De man heeft aan de vrouw in verband met haar onderbedeling in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap € 222.491,- betaald. 3.7 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 11 januari 2005, heeft de man verzocht om verlaging van de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2005 primair tot € 631,58 bruto per maand, subsidiair tot € 910,- per maand, althans tot een door de rechtbank juist geacht bedrag, en om verlaging van de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2004 tot € 435,- per kind per maand. 3.8 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met instemming van de vrouw met ingang van 1 april 2004 -uitvoerbaar bij voorraad- vastgesteld op € 435,- per kind per maand, de toekomstige bedragen bij vooruitbetaling te voldoen, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie voor zover gebaseerd op artikel 1:401 lid 5 BW, het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie voor zover gebaseerd op artikel 1:401 lid 1 BW afgewezen en meer of anders verzochte afgewezen. 4 De motivering van de beslissing 4.1 Het verzoek van de man in hoger beroep betreft uitsluitend de partneralimentatie. De man grondt zijn verzoek in hoger beroep tot wijziging van de bij overeenkomst vastgestelde partneralimentatie op het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW. Hij stelt dat partijen niet bewust maar onbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat de partneralimentatie is overeengekomen met grove miskenning van die wettelijke maatstaven. De man voert daartoe aan dat hij destijds niet op de hoogte was van het uitgangspunt dat een redelijke woonlast éénderde van zijn netto inkomen mocht bedragen voor de vaststelling van de partneralimentatie. De advocaat die de man destijds bijstond, heeft verzuimd dit uitgangspunt aan de man mede te delen. Als hij op de hoogte was geweest van dit uitgangspunt had hij nooit ingestemd met vaststelling van de partneralimentatie op de in het convenant tussen partijen overeengekomen bedrag. De man ging er op grond van de door zijn advocaat verstrekte informatie vanuit dat de in het convenant opgenomen woonlast van de man van € 550,- per maand in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven. Hiertoe heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn advocaat destijds heeft meegedeeld dat hij de voormalige echtelijke woning wilde behouden en hij de vrouw in dit verband wilde uitkopen hetgeen volgens hem mogelijk was omdat de aan die woning verbonden hypothecaire schuld niet zo hoog was. In een brief van 12 juli 2002 heeft zijn advocaat hem bericht dat de rechter de hypotheeklasten van de man van € 14.000,- per jaar te hoog zou vinden en dat van de rechter de woonlast niet hoger zou mogen zijn dan € 550,- per maand. Hij ging er dus vanuit dat dat bedrag in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven. Eerst begin 2005 heeft de man er kennis van gekregen dat in andere alimentatiezaken rekening werd gehouden met veel hogere woonlasten dan partijen in het tussen hen gesloten convenant waren overeengekomen, aldus de man. 4.2 De vrouw betwist dat partijen onbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Zij stelt dat partijen een bedrag als woonlast zijn overeengekomen nadat er discussie is geweest over de vraag wat een redelijke woonlast voor de man zou zijn. Het was haar destijds bekend dat het de wens van de man was de voormalige echtelijke woning over te nemen. Omdat de man haar in dit verband moest uitkopen zouden zijn hypotheeklasten stijgen en de voor de vrouw beschikbare alimentatie dalen. De vrouw heeft daarom toen voorgesteld de voormalige echtelijke woning te verkopen. Met de uit die verkoop resterende overwaarde zouden ieder van partijen in staat zijn geweest een andere (goedkopere) woning te kopen. De man heeft er toen voor gekozen het aandeel van de vrouw in de voormalige echtelijke woning toch over te nemen. Gelet op de discussie tussen partijen over de in verband met de vaststelling van de alimentatie in aanmerking te nemen woonlast van de man heeft de man zelf (bij brief van 17 juli 2002 van zijn toenmalige advocaat) voorgesteld die woonlast vast te stellen op € 550,- per maand. Dat voorstel heeft de vrouw geaccepteerd. Zij was er toen van op de hoogte dat de werkelijke woonlast van de man hoger was. De man kende de relatie tussen zijn draagkracht en zijn woonlast in verband met de vaststelling van alimentatie. Er is destijds tussen partijen onderhandeld over de alimentatie waarbij over en weer draagkrachtberekeningen zijn overgelegd. In voormelde brief van 17 juli 2002 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw bericht dat de man de voormalige echtelijke woning niet wenste te verkopen en heeft hij een woonlast voorgesteld van € 550,- per maand zodat de draagkracht niet in het gedrang zou komen, aldus de verklaring van de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.