Parketnummer: 21-000769-04 Uitspraak d.d.: 14 april 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof te Arnhem economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Arnhem van 27 januari 2004 in de strafzaak tegen de vennootschap onder firma [Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats], [adres]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Verzoek tot prejudiciële vraag De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting verzocht aan het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 EEG-Verdrag te vragen omtrent de volgende vragen: Dienen de artikelen 23 en 24 van het EEG-Verdrag zo te worden uitgelegd dat er in de onderhavige zaak sprake is van verboden verbodsbepalingen? Dienen de Nederlandse regels te worden aangemerkt als een kwantitatieve importbeperking van goederen ingevoerd in België? Is er in casu sprake van een gekwalificeerde schending van het EEG-Verdrag? Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Nu er geen redelijke twijfel is over de uitleg van de in het onderhavige geval van toepassing zijnde bepalingen, dient het verzoek van de raadsman tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te worden afgewezen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 november 2005 en 3 april 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: (zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb) Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het in de onderhavige zaak, de 34 stuks levende koralen uitgezonderd, niet om dode dieren en evenmin om producten van dieren gaat, waarvan de soort beschermd is. De stukjes steen zijn een substraat, ofwel een soort mergelsteentjes. Het betreft niets anders dan een pakket voormalige behuizing van koraaldiertjes. Primair bestaat er geen wettelijke basis om gedragingen ten aanzien van - wat heet - dood koraal te verbieden. Subsidiair is er geen wettelijke basis om het bezit van het aangetroffen sediment te verbieden. Op geen enkele manier zijn de stukjes steen in verband te brengen met harde koralen. Wellicht gaat het in de onderhavige zaak om fossiel-materiaal. Fossiel koraal is uitdrukkelijk uitgezonderd van enig regime. Op grond van het voorgaande dient verdachte, volgens de raadsman, ten aanzien van de bestanddelen van het in het onder 1 tenlastegelegde feit, te weten: "511 dode echte koralen, althans producten van dieren" en ten aanzien van de bestanddelen van het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten: "levende en/of dode dieren, te weten echte koralen," te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de verklaring van de ter terechtzitting gehoorde getuige-deskundige [getuige deskundige], emeritus conservator afdeling Evertebraten, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis te Leiden, is naar voren gekomen dat in de onderhavige zaak onmiskenbaar sprake is van recent dood beschermd koraal. Op verzoek van de officier van justitie te Arnhem heeft de deskundige [getuige deskundige] het bij verdachte in beslag genomen materiaal, dat op 10 mei 2002 in een aquarium in Burgers Zoo was gedeponeerd, onderzocht in het bijzijn van twee ambtenaren van de AID. De onder verdachte in beslag genomen en door de deskundige te onderzoeken stukken, werden door deze twee ambtenaren van de AID aan [getuige deskundige] aangewezen. Van de 511 stukken heeft de deskundige een steekproef genomen. Zij heeft 50 stukken uit het water gehaald en onderzocht. Het onderzochte materiaal bleek dood beschermd koraal behorende tot de orde Scleractinia te zijn. Het betrof recent koraal behorende tot diverse genera o.a. Porites, Acropora, Galaxea, Platygrya, Cyphastrea, Leptastrea, Pavona, Goniopora en Fungia. Ze herkende deze aan de speciale structuur van het koraal, die nog goed te zien was. Zonder twijfel was er geen sprake van fossiel koraal, waarbij door verstening de structuur moeilijk of niet meer te zien is. Bij haar beoordeling heeft de deskundige ook betrokken de kleur van het door haar onderzochte materiaal. Die kleur stemde overeen met de kleur van recent koraal en week af van de kleur van fossiel koraal. Ingevolge artikel 13, eerste lid onder a, van de Flora- en faunawet en artikel 3a, eerste lid, van de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten jo. Bijlage B van de Verordening (EG) 338/97, zoals nadien gewijzigd, is het verboden het specimen Scleractinia spp. ten verkoop voorhanden en in voorraad te hebben en/of onder zich te hebben en binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Op grond van artikel 2 onder t van de Verordening (EG) 338/97 vallen onder 'specimen' zowel levende als dode dieren van de in de bijlage A tot en met D genoemde soorten. Gelet op de Nota van Toelichting TK II, vergaderjaar 1992-1993, 23 147, nr. 3 vallen onder dode dieren, tevens producten van dieren en delen daarvan. Op voornoemd verbod wordt een uitzondering gemaakt indien kan worden aangetoond dat de specimens op een rechtmatige wijze voorhanden worden gehouden en zijn ingevoerd. Voor het op rechtmatige wijze voorhanden houden en invoeren van zowel levende als dode koralen is op grond van de "Overview of coral products in trade and relevant Resolutions / Decisions for implementation of CITES provisions in EU, Annex 2," een CITES export- en een EU CITES importvergunning vereist. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening (EG) 338/97 dient de invoervergunning te worden afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming. Verdachte heeft erkend dat hij voor de stukken Scleractinia spp. niet in het bezit was van een Nederlandse invoervergunning, terwijl Nederland de uiteindelijke bestemming van het echte koraal was. Verdachte heeft de stukken levend en dood Scleractinia spp. zodoende onrechtmatig ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad en/of onder zich gehad en binnen het grondgebied van Nederland gebracht. Nu uit het bovenstaande volgt dat er wel degelijk een wettelijke basis is om handelingen ten aanzien van dood koraal te verbieden, dient het primaire verweer van de raadsman te worden verworpen. Ook het subsidiaire verweer dient te worden verworpen, nu in de onderhavige zaak geen sprake is van sediment. De getuige-deskundige [getuige deskundige] heeft aan de hand van een representatieve steekproef vastgesteld dat het onder verdachte in beslag genomen materiaal recent dood Scleractinia spp. betreft. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de getuige-deskundige [getuige deskundige] partijdig zou zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ter terechtzitting heeft [getuige deskundige] als getuige-deskundige de belofte afgelegd en vervolgens de vragen van het hof, de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte beantwoord aan de hand van hetgeen de wetenschap haar leert. Zij bleek alleszins deskundig te zijn ten aanzien van koralen. Zij is gepromoveerd op mariene biologie en is al 40 jaar gespecialiseerd in koralen. Zij beschikt zodoende over voldoende ervaring en kwaliteit om het substraat materiaal te beoordelen. Weliswaar heeft de getuige-deskundige zich tevens uitgelaten over het grote ecologische belang en derhalve de noodzaak tot bescherming van koraal riffen, maar deze enkele omstandigheid is onvoldoende om vooringenomenheid van de getuige-deskundige aan te nemen in haar wetenschappelijke bevindingen en conclusies. Het verweer wordt derhalve verworpen. De raadsman van verdachte heeft tevens aangevoerd dat door wijziging van de Europese wetgeving ook voor fossiel koraal een vergunningsplicht geldt, echter dat deze vergunningsplicht niet gold in de tenlastegelegde periode. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De wijzigingen in de bijlagen behorende bij de Verordening (EG) 338/97 zoals gewijzigd bij Verordening (EG) 834/2004, geven geen blijk van een gewijzigd inzicht van de wetgever. Fossiel koraal wordt uitgezonderd van de CITES wetgeving. In de onderhavige zaak betreft het echter geen fossiel koraal, doch recente dode echte koralen, die niet zijn uitgezonderd van de CITES vergunningsplicht. Het verweer van de raadsman van verdachte wordt derhalve verworpen. De raadsman van verdachte heeft voorts aangevoerd dat artikel 43 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden in de weg staat aan de vergunningsplicht voor de import van fossielen. Nu dit verweer in algemene bewoordingen is gesteld, niet nader is geadstrueerd en er geen concrete conclusie aan is verbonden, kan het hof deze opmerking niet aanmerken als een verweer waarop gerespondeerd moet worden. Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.