Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 04/00698 U i t s p r a a k op het beroep van openbaar lichaam X te Nijmegen (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting genummerd F.01.0502 opgelegd ten bedrage van € 231.546. Voorts is een bedrag aan heffingsrente berekend van € 22.833. 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 februari 2006 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord A, directeur Middelen van belanghebbende, en de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.5. Belanghebbendes gemachtigde heeft voorafgaande aan deze zitting aan het Hof een pleitnota doen toekomen waarvan door het Hof een afschrift aan de Inspecteur is verstrekt. De Inspecteur heeft voldoende kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan en zich ter zitting in staat verklaard daarop te reageren. 1.6. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt. 1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2. Feiten 2.1. Belanghebbende is een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam dat tot doel heeft de toepassing van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Belanghebbende heeft ter uitvoering van deze doelstelling structureel personeel ter beschikking gesteld aan instellingen genoemd in bijlage B, onderdelen a en b, behorend bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Over de terzake in rekening gebrachte detacheringsvergoedingen heeft belanghebbende geen omzetbelasting berekend en evenmin omzetbelasting op aangifte voldaan. 2.2. Op grond van de regelgeving voor Sociale-Werkvoorzieningbedrijven (verder: SW-bedrijven) is het niet mogelijk om op de terbeschikkingstelling van WSW-medewerkers de CAO van de inlener van toepassing te laten zijn. 2.3. In een brief van 1 april 1996 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen Arnhem aan belanghebbende medegedeeld dat met betrekking tot het op structurele basis ter beschikking stellen van personeel aan instellingen in de sociaal-culturele sector met ingang van 1 januari 1996 geen heffing van omzetbelasting behoeft plaats te vinden, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In een brief van 17 maart 1997 heeft die inspecteur belanghebbende vervolgens medegedeeld dat is gebleken dat aan een tweetal van de gestelde voorwaarden niet wordt voldaan en dat alle detacheringen met ingang van 1 januari 1998 belast zijn met omzetbelasting. 2.4. Tot de gedingstukken behoren het voorblad en de pagina’s 25 tot en met 28 van een notitie uit november 1990 van het Ministerie van Financiën, Directie verbruiksbelastingen, getiteld ‘Notitie inzake BTW-heffing met betrekking tot: - de terbeschikkingstelling van personeel in de sociaal-culturele sector en de gezondheidssector, banenpools en Jeugdwerkgarantiewet, zgn. budgetfinanciering/-subsidies’. Daarin is een zevental voorwaarden opgesomd waaronder het mogelijk is om in de genoemde sectoren personeel ter beschikking te stellen zonder dat terzake omzetbelasting verschuldigd wordt. 2.5 Op 17 december 1990 heeft de Staatssecretaris van Financiën de hiervóór bedoelde notitie, die mede is ondertekend door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 800 IX B, nr. 19). In de desbetreffende aanbiedingsbrief (nr. VB90/1756) en het persbericht van voornoemde datum (nr. 90/317) wordt in paragraaf 2 onder meer medegedeeld dat besloten is de aanbevelingen van de werkgroep over te nemen en op basis van die aanbevelingen nadere richtlijnen aan de belastingdienst te verstrekken. Voorts wordt in paragraaf 5 van de aanbiedingsbrief opgemerkt dat, zodra deze richtlijnen tot stand zijn gekomen, de Tweede Kamer ter zake nader zal worden geïnformeerd. 2.6. Uit de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni 1991, nr. VB91/1301, gepubliceerd in V-N 1991, blz. 2271 kan worden afgeleid dat een mondeling overleg met de Tweede Kamer inzake de hiervoor bedoelde notitie is uitgesteld. Voorts blijkt daaruit dat de Staatssecretaris van Financiën op dat moment nog steeds het voornemen had om de onder 2.5. bedoelde richtlijnen aan de belastingdienst te verstrekken. In paragraaf 2.1. van die brief is terzake het volgende opgemerkt: ‘Ik heb het voornemen om aansluitend op het mondeling overleg met de Tweede Kamer richtlijnen aan de belastingdienst te verstrekken overeenkomstig de aanbevelingen in hoofdstuk III, onderdeel 7, van de notitie van 17 december 1990. Een en ander houdt in dat geen BTW-heffing zal plaatsvinden ter zake van het op structurele basis ter beschikking stellen van personeel aan instellingen in de sociaal-culturele sector die van BTW vrijgestelde prestaties verrichten. Met betrekking tot het op ad hoc-basis ter beschikking stellen van personeel zal echter wel BTW-heffing moeten plaatsvinden. Dit ter voorkoming van verstoring van de concurrentieverhoudingen met in het bijzonder commerciële uitzendbureaus.’ 2.7. Belanghebbende voldoet aan de in de Notitie genoemde voorwaarden a tot en met d en f. 2.8. In de als bijlage 17 bij de motivering van het beroepschrift gevoegde brief van 8 augustus 2003 deelt de directeur Centrum voor Proces- en Productontwikkeling (CPP) namens de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbendes gemachtigde onder meer mede dat naar aanleiding van bedoelde notitie nog geen nadere richtlijnen zijn verstrekt. Niettemin kan, zo volgt uit dezelfde brief van het CPP, de in de notitie getroffen goedkeuring in de bedoelde sectoren worden toegepast, als aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Met betrekking tot voorwaarde e van de notitie wordt in de brief het volgende vermeld: ‘In het geval het niet kunnen toepassen van de CAO van de inlener op de werknemer niet mogelijk is, omdat de regelgeving op het terrein van de sociale werkvoorziening dat niet toestaat en voor het overige aan alle voorwaarden van de goedkeuring wordt voldaan, dan hoeft die enkele omstandigheid geen bezwaar te vormen de goedkeuring niet toe te passen.’ De Staatssecretaris van Financiën heeft een dergelijke mededeling in vergelijkbare bewoordingen gedaan in zijn Besluit van 15 augustus 2003, nr. CPP2003/1961M. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de detachering van personeel aan instellingen die zijn genoemd in de bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 behorende Bijlage B, onderdelen a en b, is vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt - kort gezegd - dat het vertrouwensbeginsel (primair) of het gelijkheidsbeginsel (subsidiair) meebrengt dat de detacheringsvergoeding niet aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. 3.3. De Inspecteur is daartegenover van mening dat de terbeschikkingstelling van de medewerkers een met omzetbelasting belaste dienst is. 3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de eerdergenoemde pleitnota’s. Voor hetgeen partijen hieraan nog ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.5. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 159.840 aan belasting en € 18.342 aan heffingsrente. De Inspecteur concludeert primair tot bevestiging van zijn uitspraak en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag en de berekende heffingsrente tot laatstgenoemde bedragen. 4. Beoordeling van het geschil Beroep op vertrouwensbeginsel 4.1 Partijen zijn eensluidend van oordeel dat de in 2.4. hiervóór bedoelde notitie (verder: de Notitie) als een beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën moet worden beschouwd en dat het vertrouwensbeginsel in dezen meebrengt dat de onderhavige naheffingsaanslag dient te worden vernietigd indien aan de in de Notitie genoemde voorwaarden wordt voldaan. Niet is gebleken dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Partijen houdt in verband daarmee nog slechts verdeeld of in dezen is voldaan aan de in de Notitie genoemde voorwaarde g. 4.2. Voorwaarde g luidt als volgt: ‘bij beëindiging van de relatie tussen degene die het personeel ter beschikking stelt (de uitlener) en degene bij wie dat personeel daadwerkelijk werkzaamheden verricht (de inlener), dient de inlener verantwoordelijk te zijn voor de gevolgen van de beëindiging van die relatie voor de bestaande arbeidsovereenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.