12 september 2006 tweede civiele kamer rolnummer 2005/1003 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, procureur: mr. K.J. Verrips, tegen de naamloze vennootschap NOWM Verzekeringen N.V., gevestigd te Groningen, geïntimeerde, procureur: mr. R.J. Sturkenboom. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: NOWM) als eiseres gewezen vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 6 april 2005 en 22 juni 2005. Een fotokopie van laatstgenoemd vonnis is aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 19 september 2005 is [appellant] van het vonnis van 22 juni 2005 in hoger beroep gekomen met dagvaarding van NOWM om voor dit hof te verschijnen. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van NOWM alsnog zal afwijzen met veroordeling van NOWM in de kosten van beide instanties, te betalen binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van dat arrest tot aan de dag der algehele voldoening. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft NOWM verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het hoger beroep ongegrond zal verklaren en het vonnis waarvan beroep – met inachtneming van de correctie daarop van 25 juli 2005 - zal bevestigen, zonodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Ten slotte hebben partijen de processtukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De vaststaande feiten De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.5 een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven of bezwaren gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 4 De beoordeling van het hoger beroep 4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 21 januari 2003 heeft Autobedrijf Van Dijk Amersfoort B.V. te Amersfoort (verder te noemen: Van Dijk) een toen aan haar in eigendom toebehorende auto van het merk Mercedes met kenteken SZ-BR-27 van het bouwjaar 1998 (verder ook aan te duiden als: de Mercedes) voor een proefrit meegegeven aan een man en een vrouw. De man bleek geen rijbewijs bij zich te hebben, maar van het door de vouw getoonde rijbewijs werd een fotokopie gemaakt. De Mercedes is niet teruggebracht. Het getoonde rijbewijs bleek vals te zijn. Van Dijk had een verzekering bij NOWM voor schade wegens diefstal of verduistering van de auto. De waarde van de auto op 21 januari 2003 beliep € 17.873,27. NOWM heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst dit bedrag, verminderd met € 450,= wegens eigen risico, derhalve € 17.423,27 op 2 april 2003 aan Van Dijk als verzekeringspenningen uitgekeerd. Op 14 mei 2003 heeft de politie de auto aangetroffen op de Hofsingel te Arnhem. Zij heeft deze in beslaggenomen onder [A.], die verklaarde de auto in februari 2003 voor € 13.000,= te hebben gekocht van en geleverd gekregen door [B] Auto’s te Arnhem (verder te noemen: [B]), zijnde toen de eenmanszaak van [appellant]. De politie heeft de auto onderzocht en geconstateerd dat de auto was voorzien van een vals Voertuig Identificatie Nummer (VIN) en valse kentekenplaten. [A.] heeft aan de politie verklaard dat hij niet heeft geweten dat het om een ontvreemde auto ging. [appellant] heeft aan de politie verklaard dat twee hem onbekende mannen de Mercedes, toen met kenteken PM-PZ-80, aan [B] te koop hebben aangeboden. Zijn werknemer [C.] heeft de auto namens hem van deze mannen gekocht voor € 9.500,=, welk bedrag contant aan hen is voldaan. Aan geen van beide mannen is gevraagd een legitimatiebewijs te tonen; wel zijn de autopapieren door de mannen getoond; het door hen opgegeven adres is niet geverifieerd. Naar aanleiding van een door [A.] bij de rechtbank te Arnhem ingediend klaagschrift heeft deze op 10 maart 2004 de teruggave van de Mercedes aan [A.] gelast. 4.2 NOWM heeft gesteld dat [appellant] jegens Van Dijk onrechtmatig heeft gehandeld door onder hierboven bedoelde omstandigheden de Mercedes te kopen en door te verkopen. Aldus heeft [appellant], naar NOWM heeft gesteld, aan Van Dijk (en NOWM) de mogelijkheid ontnomen de auto terug te vorderen, omdat [A.] deze op grond van het bepaalde in artikel 3:86 BW niet behoefde af te geven. [appellant] had volgens NOWM moeten, althans kunnen weten dat het om een ontvreemde auto ging. Als professionele autohandelaar had hij bij onderzoek moeten opmerken dat het VIN-nummer van de auto niet was aangebracht op de wijze zoals dat door of vanwege de fabrikant geschiedt. Bovendien heeft hij verzuimd de identiteit van de hem onbekende mannen vast te stellen, terwijl hij ook niet heeft gecontroleerd of het kenteken wel op naam van die mannen was gesteld. Ten slotte had ook de prijs van € 9.500,= inclusief BTW bij hem argwaan moeten wekken, nu de werkelijke waarde van de Mercedes € 20.500,= inclusief BTW beliep. [appellant] was derhalve volgens NOWM jegens Van Dijk verplicht de door deze geleden schade te vergoeden. NOWM is door de betaling aan Van Dijk van de verzekeringspenningen van € 17.324,27, op de voet van artikel 284 K tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van Van Dijk jegens [appellant]. NOWM vordert derhalve van [appellant] betaling van dat bedrag aan haar. De rechtbank heeft de vordering van NOWM volledig toegewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat [appellant] niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan worden aangemerkt, zodat hem de bescherming van die bepaling niet toekomt. De rechtbank heeft daaraan tevens de conclusie verbonden dat [appellant] de auto niet had mogen doorverkopen en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld. 4.3 [appellant] heeft de rechtbank in zijn tweede grief verweten dat deze ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet te goeder trouw was in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW. Hij heeft ter toelichting gesteld dat hij reeds in eerste aanleg heeft aangetoond dat hij de Mercedes voor een redelijke prijs heeft gekocht en derhalve geen reden had om aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkopers te twijfelen. In de conclusie van antwoord (sub 4) heeft hij in dit verband aangevoerd dat het ten tijde van de aankoop van de auto leek te gaan om een Mercedes van het bouwjaar 1996 en dat eerst later is gebleken dat het een Mercedes van het bouwjaar 1998 was. In die conclusie heeft hij (sub 5) daaraan toegevoegd dat de auto niet noemenswaardig mooi was en (sub 7) dat het ging om een “marge-auto”, zijnde volgens zijn verklaring ter comparitie een auto “waarop geen omzetbelasting zit” alsmede (sub 6) dat als gevolg van het feit dat hij anders dan Van Dijk geen officiële Mercedes-dealer is en hij slechts APK-garantie en geen BOVAG-garantie verleent, in zijn bedrijf de in- en verkoopprijzen substantieel lager zijn dan in dat van Van Dijk. [appellant] heeft in die conclusie (sub 7 en 8) verder nog aangevoerd dat hij heeft gecontroleerd of de kentekenpapieren met het (toen op de auto bevestigde) kenteken overeenstemden en dat er een controle van de chassisnummers heeft plaatsgevonden, terwijl, naar hij in die conclusie (sub 9) heeft gesteld, ook nog een APK-onderzoek is verricht. Niemand zou iets verkeerds hebben ontdekt. 4.4 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor goede trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering aan hem de onbevoegdheid van zijn voorganger niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Het hof is van oordeel dat [appellant] onder de omstandigheden van dit geval met name ook (door het vragen van een legitimatiebewijs en het vergelijken daarvan met de voorhanden zijnde gegevens, alsmede het verifiëren van het op de autopapieren vermelde adres) had moeten nagaan of de gegevens van de persoon die op die autopapieren werden genoemd, overeenstemden met die van een van de twee mannen. Het hof acht in dit verband van belang dat het bij het sluiten van de hier aan de orde zijnde overeenkomst ging om twee aan [appellant] onbekende mannen die een tweedehands Mercedes wilden verkopen, dat algemeen bekend is dat auto’s zeker ook van het merk Mercedes regelmatig worden gestolen en vervolgens (als tweedehands auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.