18 juli 2006 vijfde civiele kamer rolnummer 2005/1028 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats]. appellant, procureur: mr. P-P.F. Tummers, tegen: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam WNO-Bedrijven, handelende onder de naam Breed, gevestigd te Nijmegen, geïntimeerde, procureur: mr. M.P.J. Rubens. 1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 3 juni 2005 van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen), gewezen tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna: Breed) als gedaagde. Dat vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het verloop van de procedure in hoger beroep 2.1 [appellant] is bij exploot van 28 juli 2005 van genoemd vonnis in hoger beroep gekomen, met dagvaarding van Breed voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen het bestreden vonnis negen grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn vordering(en) alsnog zal toewijzen met veroordeling van Breed in de kosten van het geding in eerste aanleg. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft Breed de grieven bestreden, één nieuwe productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door hem gevorderde zal ontzeggen, met zijn veroordeling in de proceskosten in beide instanties. 2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De vaststaande feiten en de grieven 3.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven of bezwaren aangevoerd. Het hof zal dan ook eveneens van die feiten uitgaan. 3.2 In het kort komt het op het volgende neer. [appellant] kwam op 4 oktober 1976 bij (de rechtsvoorganger van) Breed in dienst in het kader van de toenmalige Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Laatstelijk was hij voor 50% werkzaam tegen een salaris van € 837,56 bruto per maand exclusief toeslagen. Na eerdere ziekteperioden ging hij op 28 juli 2003 aan het werk bij Hewlett Packard. Met ingang van 29 juli 2003 werd hij geschorst en op 4 september 2003 stelde Breed hem op non-actief. Overeenkomstig een advies van de Onafhankelijke Indicatiecommissie Sociale Werkvoorziening van 2 december 2003 zegde Breed de arbeidsovereenkomst met [appellant] bij brief van 17 december 2003 op per 1 mei 2004 op grond dat hij, kort gezegd, niet voldeed aan de vereisten die de arbeidsovereenkomst meebracht en in het bijzonder zijn plichten grovelijk veronachtzaamde. 3.3 [appellant] bestrijdt de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van zijn vordering tot herstel van de dienstbetrekking dan wel tot betaling van schadevergoeding wegens onregelmatig en / of kennelijk onredelijk ontslag. 4 De beoordeling in hoger beroep 4.1 Met zijn eerste twee grieven beklaagt [appellant] zich erover dat de indicatiecommissie niet overeenkomstig zijn verzoek getuigen heeft gehoord alvorens haar advies uit te brengen en dat Breed dit advies vervolgens zonder meer heeft overgenomen. Alleen al daarom is het ontslag volgens hem onregelmatig en / of onredelijk. 4.2 Het hof stelt ten aanzien hiervan voorop dat in het onderhavige geval van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] geen sprake kan zijn, nu Breed daarbij – na desgevraagd een positief advies van de Onafhankelijke Indicatiecommissie Sociale Werkvoorziening te hebben gekregen, waarbij [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt kenbaar te maken en toe te lichten – een termijn van ruim vier maanden in acht heeft genomen. Verder duidt [appellant] niet aan in hoeverre de omstandigheid dat de indicatiecommissie geen getuigen heeft gehoord, kan leiden tot de gevolgtrekking dat het ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, in het bijzonder gelet op het in artikel 7:681 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde met betrekking tot de gevallen waarin van een kennelijk onredelijk ontslag moet worden gesproken. Het hof neemt ook in aanmerking dat uit het verslag van de hoorzitting en het daarin vervatte advies van de indicatiecommissie valt af te leiden dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid een schriftelijk verweer in te dienen. Voorts blijkt uit dat verslag niet dat [appellant] de indicatiecommissie heeft verzocht getuigen te horen. Ten slotte maakt [appellant] niet duidelijk in hoeverre het horen van (welke?) getuigen tot een andere uitkomst had kunnen leiden. De eerste en tweede grief worden dan ook verworpen. 4.3 Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, falen de grieven 3 en 4 eveneens, nu in beide (opnieuw) wordt geklaagd over de omstandigheid dat de indicatiecommissie geen getuigen heeft gehoord. Voor zover [appellant] in de toelichting bij zijn grieven de verstoring van de werkprocessen gemotiveerd bestrijdt, miskent hij dat hij de door Breed weergegeven feitelijke stellingen omtrent zijn uitlatingen en gedragingen en de reacties van zijn collega’s daarop niet weerspreekt, maar deze uitsluitend anders interpreteert en bagatelliseert. Bovendien bevat de in grief 3 weergegeven overweging slechts een – naar het oordeel van het hof juiste – norm en staat daarin geen overweging over feiten waarvan de vaststelling zich voor bewijslevering door getuigen leent. 4.4 Met zijn vijfde grief bestrijdt [appellant] de overweging van de kantonrechter, kort samengevat, dat [appellant] ten onrechte meende te kunnen weigeren de hem aangeboden werkzaamheden te verrichten en de werkzaamheden “gewoon niet zag zitten”. [appellant] wijst in het bijzonder op de opmerking van Breed in haar brief aan het UWV van 29 juli 2004 dat bij hem eerder sprake is van niet kunnen dan van niet willen, en op de overweging van de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht, in haar uitspraak van 4 april 2005, dat de brieven van Breed een voldoende aanknopingspunt bieden om te oordelen dat [appellant]s gedrag hem niet geheel kan worden toegerekend. 4.5 Het hof overweegt naar aanleiding hiervan ten eerste dat [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen de door Breed reeds in haar conclusie van dupliek in eerste aanleg onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.