Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummers 05/00077 en 05/00274 U i t s p r a ken op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur) betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, in de vermogensbelasting en de daarbij gegeven kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake de heffingsrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1992 tot en met 1999 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van respectievelijk ƒ 2.070, ƒ 4.516, ƒ 3.245, ƒ 3.324, ƒ 2.143, ƒ 1.862, ƒ 2.196 en ƒ 221. 1.2. Aan belanghebbende zijn voorts over de jaren 1993 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd ten bedrage van respectievelijk ƒ 1.328, ƒ 1.384, ƒ 1.409, ƒ 1.437, ƒ 1.448, ƒ 1.274, ƒ 1.295 en ƒ 1.323. 1.3. De over de jaren 1992 tot en met 1997 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1993 tot en met 1998 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting zijn telkens verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen 50 percent is kwijtgescholden. Met betrekking tot de jaren 1998, uitsluitend voor wat betreft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, 1999 en 2000 is telkens een vergrijpboete van 50 percent opgelegd. Bij alle genoemde navorderingsaanslagen is aan belanghebbende voorts heffingsrente in rekening gebracht. 1.4. De over de jaren 1992 tot en met 1994 en over 1996 tot en met 1999 vastgestelde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over het jaar 1993 vastgestelde navorderingsaanslag vermogensbelasting en de bij die aanslagen behorende kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake de heffingsrente zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Aan het bezwaar van belanghebbende tegen de over het jaar 1995 vastgestelde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1994 tot en met 2000 vastgestelde navorderingsaanslagen vermogensbelasting en de daarbij behorende kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake de heffingsrente is deels tegemoetgekomen. 1.5. Belanghebbende heeft tegen deze in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar bij één beroepschrift beroep ingesteld bij het Hof. Op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het Hof overgegaan tot ambtshalve splitsing van de zaak (in zaken met rolnummers 05/00077 en 05/00274). De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Belanghebbende heeft op 27 februari 2006 en 20 maart 2006 nadere stukken ingediend, de Inspecteur op 23 maart 2006. 1.6. De voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer heeft de Inspecteur verzocht nadere onder hem berustende stukken - te weten kopieën van het Draaiboek rekeningenproject en de Nieuwsbrieven - over te leggen aan het Hof. De Inspecteur heeft met een beroep op artikel 8:29 van de Awb hieraan gevolg gegeven. 1.7. De mondelinge behandeling van de zaken in het kader van de zogenoemde artikel 8:29-procedure heeft plaatsgehad op 4 april 2006 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. De ter zitting van de eerste meervoudige kamer door partijen overgelegde pleitnota’s behoren - op verzoek van partijen - tot de stukken van het geding. 1.8. De eerste meervoudige belastingkamer van het Hof heeft op 20 april 2006 beslist dat de weigering van de Inspecteur om het Draaiboek rekeningenproject en de Nieuwsbrieven integraal over te leggen niet gerechtvaardigd is. 1.9. Naar aanleiding van deze beslissing heeft de voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer de Inspecteur verzocht de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven aan het Hof over te leggen. Hieraan heeft de Inspecteur geen gevolg gegeven. 1.10. Belanghebbende heeft, op uitnodiging van het Hof van 2 juni 2006, bij brief van 14 juli 2006 gereageerd op de weigering van de Inspecteur om de integrale versie van de voornoemde stukken over te leggen. Belanghebbende heeft op 7 september 2006 nog nadere stukken ingediend en de Inspecteur op 6 september 2006. 1.11. De mondelinge behandeling van de onderhavige zaken door de tweede meervoudige belastingkamer heeft - gelijktijdig - plaatsgehad op 21 september 2006 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur. 1.12. Belanghebbende heeft voorafgaande aan deze zitting aan het Hof en aan de wederpartij twee pleitnota’s doen toekomen. De Inspecteur heeft voldoende kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan en zich ter zitting in staat verklaard daarop te reageren. Met toestemming van de Inspecteur worden deze pleitnota’s geacht ter zitting te zijn voorgedragen. 1.13. Partijen hebben voorts ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van vorenbedoelde pleitnota’s dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt. 1.14. Van het verhandelde ter zitting van 21 september 2006 is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2. Feiten 2.1. In 1994 zijn door voormalige medewerkers van de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise (hierna: KB Lux) microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn, althans een deel ervan is, vervolgens in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. 2.2. De Belgische belastingdienst heeft delen van deze gegevens, waaronder afdrukken van microfiches, op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in 2000 aan de Nederlandse autoriteiten doen toekomen, omdat de microfiches (financiële) gegevens bevatten over door inwoners van Nederland bij de KB Lux gehouden rekeningen. 2.3. Naar aanleiding hiervan is door de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich onder meer op het vaststellen van de identiteit van de Nederlandse rekeninghouders en op de door hen - mogelijk - verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen. 2.4. Ten behoeve van de (toenmalige) eenheden van de Belastingdienst is in 2001 een “Draaiboek Rekeningenproject” (hierna: het Draaiboek) ontwikkeld. Voorts zijn in het kader van dit project interne nieuwsbrieven (hierna: de Nieuwsbrieven) verschenen. Het Draaiboek en de Nieuwsbrieven zijn gedeeltelijk openbaar gemaakt. 2.5. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen in het kader van het Rekeningenproject heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 8 januari 2002 medegedeeld dat daaruit naar voren is gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende daarin - onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) - verzocht gegevens en inlichtingen met betrekking tot de bankrekeningen te verstrekken. Belanghebbendes gemachtigde heeft volledige openheid van zaken verschaft omtrent een bij KB Lux aangehouden bankrekening. Tevens heeft belanghebbende afschriften van de bankrekening aan de Inspecteur doen toekomen. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderwerpelijke navorderingsaanslagen met verhoging/boete van 50 percent opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende tevergeefs bezwaar aangetekend. 2.6. Bij brief van 24 februari 2006 heeft de griffier van het Hof, namens de voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer, de Inspecteur op de voet van artikel 8:45 van de Awb verzocht nadere onder hem berustende stukken - te weten het Draaiboek en de Nieuwsbrieven - aan het Hof over te leggen. 2.7. De Inspecteur heeft in zoverre aan dit verzoek voldaan dat hij een geschoonde - dus een niet integrale - versie van bedoelde stukken (de zogenoemde Bossche versie) heeft overgelegd. 2.8. Vervolgens heeft de voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer de Inspecteur verzocht de integrale versie van het genoemde Draaiboek en de Nieuwsbrieven aan het Hof over te leggen. 2.9. De Inspecteur heeft met een beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb hieraan gevolg gegeven. De voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer heeft, zonder dat de leden van die kamer kennis hebben genomen van de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, de zaak om processuele redenen verwezen naar de eerste meervoudige belastingkamer teneinde te laten beoordelen of gewichtige redenen bestaan voor de Inspecteur om het overleggen van de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven te weigeren. 2.10. De mondelinge behandeling van de zaken in het kader van de zogenoemde artikel 8:29-procedure heeft in tegenwoordigheid van partijen plaatsgehad op 4 april 2006 te Arnhem. 2.11. De eerste meervoudige belastingkamer heeft op 20 april 2006 een beslissing genomen. Deze beslissing behelst - voor zover hier van belang - het volgende: “2.1. De eerste meervoudige belastingkamer van het Hof is (…) van oordeel dat deze stukken [de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven] door de tweede meervoudige kamer terecht zijn aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. (…) 2.2. De Inspecteur dient derhalve in beginsel de ongeschoonde versie van de stukken over te leggen. Naar het Hof begrijpt (…) is de Inspecteur niet bereid die versie in het geding te brengen door overlegging aan de kamer van het Hof die de bodemzaak zal gaan behandelen. 2.3. Het Hof acht het een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht dat een belanghebbende in beginsel kan beschikken over alle stukken die met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berusten. Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb bepaalt dat partijen die op grond van art. 8:42, eerste lid, Awb verplicht zijn stukken over te leggen, het overleggen van die stukken kunnen weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. 2.4. Het Hof is van oordeel dat hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd (andere of nieuwe projecten, cijferinformatie, methoden en systematiek, persoonlijke opvattingen, e.d.) geen gewichtige redenen vormen die de weigering om de stukken over te leggen kunnen rechtvaardigen.”. 2.12. Naar aanleiding van deze beslissing heeft de griffier van het Hof, namens de voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer, de Inspecteur bij brief van 1 mei 2006 verzocht de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven vóór 12 mei 2006 aan het Hof over te leggen. 2.13. Bij brief van 10 mei 2006 heeft de Inspecteur medegedeeld dit verzoek niet te zullen inwilligen. Wel heeft hij een nieuwe, doch nog steeds een geschoonde, versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven (de zogenoemde Amsterdamse versie) overgelegd. 2.14. Bij brief van 16 mei 2006 heeft de griffier van het Hof, namens de voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer, de Inspecteur erop gewezen dat hij hiermede geen uitvoering heeft gegeven aan de beslissing van de eerste meervoudige belastingkamer van 20 april 2006 dat hij verplicht is bedoelde stukken integraal over te leggen en dat het Hof uit het niet voldoen aan deze verplichting de gevolgtrekkingen kan maken die het Hof geraden voorkomen. De griffier heeft de Inspecteur nogmaals verzocht - ditmaal vóór 25 mei 2006 - de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven over te leggen. 2.15. Bij brief van 19 mei 2006 heeft de Inspecteur het Hof bericht geen uitvoering te geven aan de beslissing van de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof van 20 april 2006. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 Tussen partijen is in geschil of de onderhavige navorderingsaanslagen - uitsluitend voor zover de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken -, en de daarbij behorende beschikkingen inzake de heffingsrente, de kwijtscheldingsbesluiten en boetebeschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. De hoogte van de nagevorderde belastingbedragen en de heffingsrente is niet meer in geschil. 3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder eerdergenoemde pleitnota’s. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van 21 september 2006 nog hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting. 3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraken, de onder 3.1. bedoelde navorderingsaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen inzake de heffingsrente, de kwijtscheldingsbesluiten en de boetebeschikkingen. 3.4 De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. 4. Beoordeling van het geschil Verlengde navorderingstermijn 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in strijd is met het recht van de Europese Unie (verboden discriminatie en/of belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer). Belanghebbende heeft dit standpunt nader onderbouwd in één van haar pleitnota’s van 21 september 2006. 4.2. Hoewel het Hof niet uitgesloten acht dat de verlengde navorderingstermijn in bepaalde situaties een inbreuk zou kunnen vormen op één of meer van de in het EG-verdrag genoemde verdragsvrijheden, kan dit belanghebbende in dezen niet baten. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich namelijk terecht beroepen op een rechtvaardigingsgrond, te weten de doeltreffendheid van fiscale controles. Vaststaat immers dat belanghebbende een bankrekening heeft aangehouden in een land met een bankgeheim (Luxemburg) en dat hij het vermogen op die rekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.