12 december 2006 pachtkamer rolnummer 2005/1216 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, procureur: mr. J.M. Bosnak, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr. H. van Ravenhorst. 1 De procedure in eerste aanleg De pachtkamer van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, heeft op 13 september 2005 een vonnis gewezen tussen appellant (verder te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde. Van dat vonnis is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar dat vonnis wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg alsmede voor de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 11 oktober 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het onder 1 genoemde vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen om aan [appellant] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 8.372,57, bestaande uit: - restantbedrag ter zake van te verrekenen melkquotum: € 6.523,05; - beslagkosten: € 920,13; - buitengerechtelijke incassokosten: € 929,39, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2004 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zonodig met aanvulling en verbetering van gronden en met afwijzing van de vordering van [appellant], alsmede met veroordeling van [appellant] in de kosten van (het hof leest:) het hoger beroep. 2.4 Ter zitting van 9 oktober 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. P.J.W.M. Theunissen, advocaat te Roermond, en [geïntimeerde] door mr. G.C. Kooijman, advocaat te ‘s-Hertogenbosch; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. Naar aanleiding van het verzoek van het hof ter zitting aan [geïntimeerde] om de meitellinggegevens over 1983 aan het hof over te leggen, heeft [geïntimeerde] bij op 7 november 2006 ter griffie ingekomen brief drie stukken overgelegd. Omdat bij navraag door het hof [appellant] te kennen gaf bedoelde stukken niet te hebben ontvangen, heeft het hof [appellant] deze stukken op 13 november 2006 doen toekomen. [appellant] heeft van de hem geboden gelegenheid te reageren op de door [geïntimeerde] overgelegde stukken gebruik gemaakt bij een op 17 november 2006 ter griffie ingekomen brief. 3 De vaststaande feiten 3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast. 3.2 Op 13 maart 1976 kwam tussen [A.], de rechtsvoorganger van [appellant], en [geïntimeerde] een op 1 december 1975 ingaande pachtovereenkomst tot stand betreffende de landbouwpercelen, in die overeenkomst aangeduid met de kavelnummers 379-7822 en 28014, in totaal groot 4.64.20 ha, gelegen te [plaatsnaam]. 3.3 [geïntimeerde] was in 1982/1983 melkproducent. Hem is bij de invoering van de superheffing een heffingsvrije hoeveelheid melk toegewezen (het zogeheten melkquotum). 3.4 Op 7 maart 1994 schreef [geïntimeerde] in een brief aan de toenmalige verpachter: “(…) Enige tijd geleden vroeg ik U om toestemming i.v.m. het huren van grond voor het aangaan van een maatschap met mijn zoon [B.]. Nu is de maatschap inmiddels in gang en wil ik U vanwege plannen voor het aankopen van melkquotum vragen om ’n verklaring waarin U aangeeft dat de aan te kopen melk niet over de gepachte grond verdeeld hoeft te worden. Door de deskundigen in melkquotum is dit als voorwaarde opgenomen, om eventueel later niet in de problemen te komen. (…)” 3.5 Bij brief van 18 maart 1994 berichtte de toenmalige verpachter aan [geïntimeerde]: “(…) Naar aanleiding van uw brief d.d. 7 maart 1994 diene het volgende. Omdat de materie mij wel bekend, maar niet voldoende bekend is, gelieve u mij nader te informeren. 1. hoeveel bedraagt het melkquotum momenteel met betrekking tot de door u van mij gepachte percelen? 2. hoe groot is het melkquotum dat door u (aanvullend) kan worden gekocht? 3. wat heeft een en ander voor mij als eigenaar voor consequent(ie?) 4. omdat ik aanneem, dat de regeling met betrekking tot de melkquota (vanwege het Ministerie van Landbouw naar ik veronderstel) u voldoende bekend zal zijn, verzoek ik u mij een exemplaar van deze regeling te doen toekomen. 5. omdat van de door u van mij gevraagde verklaring ongetwijfeld een algemeen geldend model bestaat, verzoek ik u mij hiervan een exemplaar toe te zenden. 6. ook andere in dit verband van belang zijnde bijzonderheden gelieve u mij mede te delen. (…) 3.6 Hierop liet [geïntimeerde] de toenmalige verpachter bij brief van 26 maart 1994 weten: “(…) In antwoord op Uw vragen per brief van 18-03 j.l. stuur ik U voor zover mogelijk de gevraagde gegevens. 1. Het melkquotum voor de van U gepachte grond is ± 54.500 kg, hierin is de verpachter en de pachter volgens de jurisprudentie gerechtigd in ieder de helft. 2. Het door mij aan te kopen quotum bedraagt 20.000 kg. 3. Het heeft voor U geen enkele consequentie. 4. Wat betreft ’n exemplaar van de regeling superheffing, hiervoor heb ik telefonisch contact opgenomen met het C.O.S. = Centrale Organisatie Superheffing te ’s-Gravenhage. Daar werd mij verteld dat dit alleen aan notarissen en makelaars werd gegeven, ’n beschikking superheffing was bekend gemaakt in de Staatscourant van maart 93 daar moest U het dan in opzoeken. 5. Een algemeen geldende verklaring of model heb ik gevraagd bij ABAB Accountants en Belasting Adviesbureau alsook bij de standsorganisatie. Deze waren niet ter beschikking, wel kon er een door ’n jurist gemaakt worden, of kon het door ’n wijziging van het pachtcontract opgenomen worden. Eenvoudiger en goedkoper was het om gewoon ’n briefje te schrijven en te ondertekenen waarin U aangeeft dat de door ons aan te kopen melk eventueel later niet over de van U gepachte grond verdeeld hoeft te worden. 6. Geen mededelingen, alleen ter verduidelijking: Er verandert voor U niets. Voor ons is het ’n zekerheid dat de aangekochte quotum niet over Uw grond verdeeld hoeft te worden. Hopelijk dat een en ander duidelijk voor U is, zien wij graag reactie tegemoet. (…) 3.7 Naar aanleiding hiervan schreef de toenmalige verpachter in een brief van 11 mei 1994 aan [geïntimeerde]: “(…) Antwoord op uw brief d.d. 26.3.1994. (…) Voor zover het melkquotum met betrekking tot de door u van ondergetekende gepachte grond (totaal 4.15.24 ha.) meer bedraagt dan ± 54.500 kg (20.000 kg), behoeft het meerdere niet aan de gepachte grond te worden toegedeeld. (…)” 3.8 Naar aanleiding van de door [geïntimeerde] voorgenomen verkoop van 40.000 kg melkquotum heeft [appellant] bij brief van 27 april 2001 aan [geïntimeerde] toestemming verleend tot de verkoop van 20.000 kg met de verpachte grond samenhangend melkquotum. 3.9 [geïntimeerde] heeft begin 2004 het resterende met het van [appellant] gepachte samenhangende melkquotum verkocht. Ter zake van die verkoop heeft hij op 7 mei 2004 een bedrag van € 10.593,98 aan [appellant] overgemaakt. 3.10 [geïntimeerde] heeft op 23 maart 2004 een overeenkomst tot beëindiging van de pacht getekend. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het onderhavige hoger beroep betreft de vordering van [appellant] tot betaling aan hem door [geïntimeerde] van een bedrag van in hoofdsom € 6.523,05 ter zake van te verrekenen melkquotum. De pachtkamer in eerste aanleg heeft deze vordering afgewezen. 4.2 Voor het geval [appellant] heeft bedoeld onder 2 van de memorie van grieven een grief op te werpen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank, overweegt het hof als volgt. Op de stelling van [appellant] dat de door [geïntimeerde] van [appellant] gepachte oppervlakte in het referentiejaar 1983 in totaal 4.17 ha bedroeg, zal het hof in het navolgende nog terugkomen. Voor zover [appellant] stelt (memorie van grieven onder 2.1) dat de feitenvaststelling door de rechtbank te summier is geweest, merkt het hof op dat de door [appellant] onder 2.4 van de memorie van grieven weergegeven gang van zaken in 1994 een verkorte weergave is van de feitenvaststelling onder 4-7 in het bestreden vonnis, dat de laatste zin onder 2.4 van die memorie niet een vaststaand feit weergeeft maar de uitleg door [appellant] van de uitkomst van de briefwisseling tussen [geïntimeerde] en de toenmalige verpachter, en dat hetgeen [appellant] stelt over de feitelijke gang van zaken in 2000/2001 en in 2004 de uitwisseling van standpunten tussen partijen betreft inzake de financiële verrekening tussen [appellant] als verpachter en [geïntimeerde] als pachter ter zake van het met de gepachte grond samenhangende melkquotum, welke verrekening nu juist onderwerp is van deze procedure. 4.3 Met grief 1 bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank (vierde blad van het bestreden vonnis) dat in de hierboven onder 3.4-3.7 weergegeven correspondentie tussen [geïntimeerde] en de toenmalige verpachter is vastgesteld dat het met het gepachte samenhangende melkquotum 54.500 kg bedraagt, en dat de verklaring van de toenmalige verpachter zeer duidelijk is en moet worden aangemerkt als een duidelijke wilsverklaring over de omvang van (het hof begrijpt:) het met het gepachte samenhangende melkquotum. 4.4 Voor de beoordeling van grief 1 is uitleg van de onder 4.3 bedoelde correspondentie noodzakelijk. Bij die uitleg komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars schriftelijke uitlatingen mochten toekennen en op hetgeen partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Voorts heeft te gelden dat de uitleg van de onderhavige correspondentie tussen partijen niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin die correspondentie is gesteld, maar dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van die correspondentie als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van die correspondentie vaak wel van groot belang is. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. 4.5 Voor zover uit de in 3.7 hierboven aangehaalde brief d.d. 11 mei 1994 van de toenmalige verpachter aan [geïntimeerde] al zou kunnen worden afgeleid dat de toenmalige verpachter, zoals [geïntimeerde] stelt, daarin afstand deed van het met het gepachte samenhangende melkquotum voor zover dit meer bedraagt dan 54.500 kg, houdt die conclusie geen stand op grond van het navolgende. Bedoelde brief was het sluitstuk van een correspondentie tussen partijen die was aangevangen met de onder 3.4 aangehaalde brief van [geïntimeerde], waarin deze verzocht (niet om afstand (om niet) door de verpachter van het met het gepachte samenhangende melkquotum voor zover meer bedragende dan 54.500 kg, maar) om een verklaring van de verpachter “dat de (door [geïntimeerde], hof) aan te kopen melk niet over de gepachte grond verdeeld hoeft te worden”. De toenmalige verpachter reageerde hierop door in de onder 3.5 geciteerde brief van 18 maart 1994 een aantal vragen aan [geïntimeerde] te stellen, waaronder de vraag welke consequenties zo’n verklaring voor hem als eigenaar zou hebben, alsmede het verzoek ook andere in dit verband van belang zijnde bijzonderheden aan hem mede te delen. [geïntimeerde] antwoordde op deze vragen in de onder 3.6 geciteerde brief van 26 maart 1994 dat de verklaring van de (toenmalige) verpachter (ten aanzien waarvan [geïntimeerde] herhaalt dat de verpachter daarin zou moeten aangeven dat het door [geïntimeerde] aan te kopen melkquotum later niet over de gepachte grond hoeft te worden verdeeld) voor deze geen enkele consequentie heeft en dat er voor hem niets verandert. Vervolgens schreef de toenmalige verpachter in zijn onder 3.7 geciteerde brief aan [geïntimeerde] onder de aanhef “Antwoord op uw brief d.d. 26 maart 1994” dat voor zover het melkquotum met betrekking tot de gepachte grond meer bedraagt dan ± 54.500 kg (20.000
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.