23 april 2007 eerste civiele kamer rekestnummer 2007/210 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant sub 1] en [appellante sub 2], echtgenoten, wonende te [woonplaats], appellanten, procureur: mr. L. Paulus. 1 Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 februari 2007 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [appellant sub 1] en [appellante sub 2]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 27 februari 2007 ingekomen verzoekschrift zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 12 maart 2007 en 13 april 2007 van de procureur en de op 11 april 2007 ontvangen bijlagen 7 tot en met 10 bij het verzoekschrift. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2007, waarbij [appellant sub 1] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. K.G. van de Streek, advocaat te Nunspeet. [appellante sub 2] is niet verschenen. Mr. Van de Streek heeft desgevraagd verklaard ook namens haar op te treden. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De rechtbank grondt de afwijzing van het verzoek van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op het oordeel dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een groot deel van hun aanzienlijke schuldenlast, nu zij, op een moment dat zij reeds een aanzienlijke schuldenlast hadden, een te groot risico hebben genomen door veel geld te investeren in een riskante onderneming in Turkije en in zee zijn gegaan met een onbetrouwbare zakenpartner. Daarnaast hebben zij de opbrengst van de verkoop van hun woning niet volledig gebruikt om hun bestaande hypotheekverplichtingen af te lossen, maar een gedeelte hiervan besteed aan lopende verplichtingen, de inrichting van hun nieuwe woning en de afbetaling van schulden aan familie/bekenden die niet in de schuldenlijst bij de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder e Faillissementswet waren opgenomen. 3.2 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] betwisten dat zij niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden. [appellant sub 1] is in 2002 60 tot 80% arbeidsongeschikt verklaard, hetgeen geleid heeft tot een enorme inkomensterugval. Vervolgens heeft [appellant sub 1] tevergeefs twee jaar lang zeer intensief gesolliciteerd. In een poging extra inkomen te verwerven om uit hun schuldenpositie te geraken, hebben zij geld geleend bij de Postbank en hebben zij samen met een Turkse ondernemer geld geïnvesteerd in een hotel in Turkije. Er zijn contracten afgesloten met verschillende touroperators en vanaf januari 2005 werd er winst gemaakt. De Turkse zakenpartner heeft echter de gehele winst voor zich behouden en heeft in juni 2005 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met een pistool bedreigd, waarop [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hals over kop en met achterlating van alle gegevens en papieren met betrekking tot de Turkse onderneming naar Nederland zijn gevlucht. Zij hebben gepoogd aangifte te doen bij de Turkse politie en hebben een Turkse advocaat ingeschakeld, doch dit heeft uiteindelijk niets opgeleverd. Nadat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] een verzoek hadden gedaan toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, hebben zij hun woning verkocht. Volgens de afrekening van de notaris leverde dit een overwaarde van ongeveer € 31.000,-- op, waarmee zij direct een aantal schulden hebben afgelost. Twee maanden later bleek echter dat de hypotheekbank een fout had gemaakt en dat er nog een gedeelte van de hypotheekschuld openstond. Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellante sub 2] aan dat, mocht het hof van oordeel zijn dat zij niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schuldenlast, dit vanwege hun persoonlijke omstandigheden niet aan hen toegerekend kan worden. Een gedeelte van hun schulden is ontstaan doordat [appellante sub 2], die lijdt aan een bipolaire stoornis, als gevolg van haar ziekte extreem veel geld uitgaf. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben er alles aan gedaan om uit hun schulden te geraken. [appellant sub 1] heeft inmiddels een betaalde baan, zodat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de schuldsaneringsregeling kunnen sparen voor de schuldeisers. 3.3 Het hof gaat bij de beoordeling van het verzoek van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] uit van het door henzelf opgestelde schuldenoverzicht van 27 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.