19 juni 2007 derde civiele kamer rolnummer 2006/356 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, procureur: mr. P.M. Wilmink, tegen: [geïntimeerde sub 1], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde sub 4], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde sub 5], wonende te [woonplaats], Duitsland, en [geïntimeerde sub 6], wonende te [woonplaats], geïntimeerden, procureur: mr. J.H. van Vliet. 1 Het geding in eerste aanleg Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 11 mei 2005 en 2 november 2005 die de rechtbank Almelo tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerden (hierna afzonderlijk ook te noemen: [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5] respectievelijk [geïntimeerde sub 6]) als gedaagden heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellante] heeft bij exploot van 1 februari 2006 geïntimeerden aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] zes grieven tegen die vonnissen aangevoerd en toegelicht, haar eis vermeerderd, een aantal producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof die vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerden alsnog hoofdelijk zal veroordelen a. om het binnen de buitenbak in de bodem gebrachte sloopafval conform de daarvoor geldende regels en onder asbestcondities binnen 48 uren na betekening van het te wijzen arrest te verwijderen, met schriftelijk bewijs van de afvoer van het afval, een en ander conform de aanschrijving van de gemeente van 24 september 2003, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of een gedeelte daarvan, en b. (het hof leest:) tot vergoeding van de schade die [appellante] ten gevolge van het storten van het asbesthoudende sloopafval heeft geleden en lijdt, waaronder de kosten voor het milieukundig onderzoek en werkzaamheden ten bedrage van € 8.900,-, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf heden (hof: de datum van de memorie van grieven), tot aan de dag der algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure. 2.3 Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof de vordering in hoger beroep ten aanzien van [geïntimeerde sub 5] niet-ontvankelijk zal verklaren en voor het overige de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, althans, zonodig met verbetering van gronden, [appellante] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep. 2.4 [appellante] heeft akte gevraagd van het overleggen van een aantal betekeningsstukken, waarop geïntimeerden bij antwoordakte hebben gereageerd. 2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De vaststaande feiten De rechtbank heeft in het vonnis van 11 mei 2005 onder 2 a. tot en met l. feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan. Daaraan kan op grond van de niet bestreden inhoud van het proces-verbaal van verhoor van [geïntimeerde sub 2], opgemaakt door de politie Twente, regio Hellendoorn van 16 juni 2003 (productie 5 bij dagvaarding) worden toegevoegd dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] de bewuste, door [geïntimeerde sub 1] op 31 mei 2001 aan [appellante] verkochte, woonboerderij met ondergrond, erf en opstallen op 20 december 2000 van [geïntimeerde sub 1] hadden gekocht onder de garantie dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] de boerderij van [geïntimeerde sub 1] zouden kopen, indien hij deze niet zou hebben verkocht vóór 1 juli 2001. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 [geïntimeerde sub 1] heeft op 31 mei 2001 voor fl 1.100.000,- kosten koper aan [appellante] verkocht een woonboerderij met opstallen, ondergrond en land in [woonplaats]. [geïntimeerde sub 1] diende op grond van artikel 5 lid 3 van het koopcontract (“feitelijke levering, staat van het verkochte”) het verkochte leeg en ontruimd op te leveren. [geïntimeerde sub 1] had naast een makelaarskantoor (Boertjes) [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ingeschakeld voor de verkoopbemiddeling. Op 10 oktober 2001 is de transportakte gepasseerd. Op dat moment was nog niet voldaan aan genoemd artikel 5 lid 3 van het koopcontract. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hebben op zich genomen zorg te dragen voor het leeg en ontruimd opleveren van de opstallen waartoe [geïntimeerde sub 1] op grond van het koopcontract verplicht was. Zij hebben [A.], de partner van [appellante] (verder: [A.]), het telefoonnummer van de geïntimeerden [geïntimeerden sub 4 en 5] gegeven, die op hun beurt de kraanmachinist [geïntimeerde sub 6] (geïntimeerde) hebben ingeschakeld. [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hebben de op het perceel staande kippenschuur niet ontruimd, maar met toestemming van [A.] gesloopt. Op de kippenschuur lagen asbesthoudende golfplaten. [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hebben het van de schuur afkomstige sloopafval, waaronder de golfplaten, gestort in de grond van het perceel, op de plaats waar later de buitenbak is aangelegd. De gemeente Twenterand is naar aanleiding van de sloop van de woonboerderij een onderzoek begonnen en heeft daarbij het in de buitenbak gestorte sloopafval (met daarin asbestdelen) aangetroffen. De gemeente heeft [appellante] vervolgens aangezegd (onder meer) het afval in de buitenbak vóór 1 november 2003 te verwijderen, omdat de door de gemeente op het perceel van [appellante] aangetroffen toestand strijdig was met het in de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming bepaalde. 4.2 De onder 2.2 weergegeven vordering van [appellante] is blijkens de memorie van grieven (nummer 18) gegrond op toerekenbaar tekortschieten van [geïntimeerde sub 1], althans van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], in de nakoming van de tussen [appellante] enerzijds en [geïntimeerde sub 1], respectievelijk [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds gesloten overeenkomst, waarbij [geïntimeerde sub 1] zich jegens [appellante] heeft, respectievelijk [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zich jegens [appellante] hebben verbonden zorg te dragen voor het leeg, ontruimd en bezemschoon opleveren van de door [appellante] van [geïntimeerde sub 1] gekochte woonboerderij, waarbij is overeengekomen dat deze werkzaamheden op zodanige wijze zouden geschieden, dat [appellante] “daar geen problemen mee zou krijgen”. Voorzover [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] bij de nakoming van de op hun rustende verbintenis hebben gebruik gemaakt van hulppersoneel, zijn zij daarvoor ingevolge artikel 6:76 BW aansprakelijk als voor hun eigen gedragingen, aldus [appellante]. Ten aanzien van de gebroeders [geïntimeerden sub 4 en 5] en [geïntimeerde sub 6] is de vordering gegrond op onrechtmatig handelen, hierin bestaande dat zij asbesthoudend afval (te weten: het asbesthoudende sloopafval van de op het perceel van de woonboerderij staande kippenschuur) hebben ingegraven of hebben laten ingraven. Dat onrechtmatig handelen is volgens [appellante] een groepshandelen in de zin van artikel 6:166 BW, zodat “zij allen” (wat het hof gelet op de onder 2.2 weergegeven vorderingen begrijpt als: alle geïntimeerden) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [appellante] dientengevolge lijdt en heeft geleden. 4.3 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 mei 2005 [appellante] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en/of [geïntimeerde sub 3] opdracht hebben gegeven tot het ingraven van het asbesthoudende sloopafval van de kippenschuur, dan wel dat [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5] en/of [geïntimeerde sub 6] op eigen initiatief het asbesthoudende sloopafval van de kippenschuur hebben ingegraven. 4.4 De rechtbank heeft als getuigen gehoord [appellante] (partijgetuige), haar partner [A.] en diens zoon, [B.], en - in tegenverhoor - [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 6], [geïntimeerde sub 5] en [C.]. 4.5 De rechtbank heeft vervolgens bij het eindvonnis van 2 november 2005 [appellante] niet geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs en de vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. 4.6 Het hof zal, gelet op het daarover in hoger beroep gevoerde debat, eerst bespreken hoe de positie van [A.], de partner van [appellante], in deze zaak moet worden geduid. [appellante] stelt dat [A.] geen eigenaar van het bewuste perceel is, maar dat zij enig eigenares daarvan is, dat zij noch [A.] ooit de schijn heeft gewekt dat [A.] enige bevoegdheid had met betrekking tot het aan [appellante] toebehorende perceel en dat zodanige bevoegdheid ook niet te snel mag worden aangenomen, nu de aard van de opdracht (het hof begrijpt: het laten ingraven van asbesthoudend materiaal in de grond van de woonboerderij) in strijd is met de wet. Geïntimeerden hebben dit gemotiveerd betwist. 4.7 Dan springt allereerst in het oog, zoals geïntimeerden naar voren brengen, dat de advocaat van [appellante] in de sommaties aan verschillende geïntimeerden (producties 13 en volgende bij dagvaarding) namens haar schrijft: “Namens cliënte heeft haar man, de heer [A.], de meeste besprekingen gevoerd. Omdat het schoonmaken van de schuur veel werk was, vroegen deze heren (hof: gedoeld wordt op [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]) of cliënte de schuur ook wilde afbreken. De heer [A.] gaf aan dat dat geen bezwaar was, omdat cliënte op termijn op de plek van de schuur een buitenbak wilde maken. Cliënte heeft toen duidelijk aangegeven dat zij geen problemen wilde, m.a.w. geen illegale activiteiten. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hebben haar verzekerd dat die er niet zouden komen. De heer [A.] heeft duidelijk aangegeven bij het afbreken van de schuur aanwezig te willen zijn. Daarover heeft hij meermalen gebeld.” Het citaat uit deze brief - van [appellante]’s advocaat - kan bezwaarlijk anders worden geduid dan in die zin dat [A.] bevoegd was om in naam van [appellante] (rechts)handelingen te verrichten. Dit komt overeen met het gestelde in de inleidende dagvaarding onder 6, 7 en 8, waarin te lezen is dat [A.] handelend is opgetreden (voor [appellante]) bij de besprekingen met betrekking tot het opruimen van de kippenschuur. Onder 6 is als weergave van een gesprek tussen (kennelijk) [appellante] en [A.] enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds te lezen dat [A.] op de vraag van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] of zij in plaats van het bezemschoon maken van de schuur deze ook mochten afbreken heeft gezegd dat dat in principe geen probleem was, omdat [appellante] op die plek op termijn een buitenbak wilde aanleggen en dat [appellante] toen heeft gezegd dat ze door de sloop “geen problemen wilde” (zie ook de inleidende dagvaarding onder 22). Het citaat uit de sommaties vindt voorts bevestiging in andere producties die in eerste aanleg zijn overgelegd. Het hof wijst op de verklaring van [A.], op 26 augustus 2003 afgelegd ten overstaan van de politie Twente, regio Hellendoorn (productie 4 bij dagvaarding): “Ik heb toen gebeld met de makelaar om te overleggen hoe deze schoonmaakwerkzaamheden zouden moeten plaats vinden.” en “In het voorjaar van 2002 was nog niets opgeruimd. Ik heb toen contact gehad met [D.] van makelaar Boertjes en deze heeft weer contact gelegd met de heren [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]. Op een zaterdag in het voorjaar van 2002, ik weet niet precies wanneer, heb ik afgesproken met deze 2 heren om opruimwerkzaamheden te verrichten.” en “Het kippenschuurtje moest worden schoon gemaakt. De heren [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] beloofden toen dat zij ervoor zouden zorgen dat het kippenschuurtje zou worden opgeruimd. Ik vond het wel goed dat dit schuurtje door hun zou worden afgebroken, omdat ik er toch niets mee van plan was. Ik was ook van plan om daar een buitenbak voor de paarden te maken. Het was gemakkelijker volgens hun om de schuur af te breken dan op te ruimen. Later heb ik nog 2 keer gebeld, of ze bij ons wilden komen om de opruimwerkzaamheden te verrichten.” [geïntimeerde sub 5] heeft 23 juni 2003 tegenover de politie (productie 6 bij dagvaarding) onder meer verklaard: “[A.] vroeg mij of ik kon regelen dat de kraanmachinist een gat achter de schuur zou graven. Hij wilde dat wij een kippenschuurtje en een autogarage af zouden breken.” [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, in weerwil van het voorgaande, meebrengen dat [A.] niet bevoegd was om haar te vertegenwoordigen. Het hof komt tot de conclusie dat [A.] in de periode waarom het hier gaat over een (stilzwijgende) volmacht van [appellante] beschikte, althans, dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellante], die blijkens het gestelde in de inleidende dagvaarding wist dat [A.] handelend voor haar optrad bij de oplevering van de woonboerderij, tegen geïntimeerden op de onjuistheid van de veronderstelling dat een toereikende volmacht was verleend geen beroep kan doen, nu zij is stil blijven zitten in de kennelijke wetenschap van het handelen van [A.] in haar naam. 4.8 De eerste grief luidt dat de rechtbank in het tussenvonnis van 11 mei 2005 ten onrechte wezenlijk voor de beslechting van het geschil heeft geacht (het antwoord
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.