5 juni 2007 eerste civiele kamer rolnummer 2006/1007 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boni-Markten B.V., gevestigd te Nijkerk, appellante, procureur: mr. F.J. Boom, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr. L. Paulus. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 12 april 2006 en 20 september 2006, gewezen tussen appellante (hierna te noemen “Boni”) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen “[geïntimeerde]”) als gedaagde. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Boni heeft bij exploot van 25 september 2006 aangezegd van voornoemd vonnis van 20 september 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft Boni zeven grieven geformuleerd en toegelicht, heeft zij producties overgelegd en bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Boni te voldoen a. de somma van € 650.000,-; b. de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 [bedoeld zal zijn: 6:119a] BW, althans de wettelijke rente, althans de overeengekomen rente van 3-maands Euribor (act/360) + 1,5% voor zover die contractuele rente hoger mocht blijken te zijn, over het bedrag van € 650.000,- vanaf 1 januari 2006 tot de dag der algehele voldoening; c. de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand tot aan de dag der dagvaarding in eerste aanleg ten bedrage van € 3.500,-; d. de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, de kosten van de gelegde beslagen daaronder begrepen. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij producties overgelegd en bewijs aangeboden en heeft hij geconcludeerd dat het hof het hoger beroep van Boni ongegrond zal verklaren en het vonnis waarvan beroep (zonodig met verbetering van gronden) zal bekrachtigen, met veroordeling van Boni, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. 2.4 Ter terechtzitting van het hof van 23 april 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens Boni het woord is gevoerd door mr. F.W. Aartsen, advocaat te Harderwijk, en namens [geïntimeerde] door mr. R. van der Hooft, advocaat te Opmeer, overeenkomstig door hen overgelegde pleitnota's. 2.5 Ten slotte heeft Boni de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en is op verzoek van [geïntimeerde] en met instemming van beide partijen bepaald dat wat [geïntimeerde] betreft recht zal worden gedaan op de door hem voorafgaand aan de pleidooien aan het hof overgelegde kopie van zijn originele procesdossier. 3 De vaststaande feiten 3.1 Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 genoemde feiten, gaat ook het hof van die feiten uit. Voor zover Boni in haar eerste twee grieven erover klaagt dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 bepaalde feiten niet heeft vermeld, doet dit aan de juistheid van de daar wel vastgestelde feiten niet af, zodat Boni bij deze grieven geen belang heeft. De vaststaande feiten komen, voor zover thans relevant, op het volgende neer. 3.2 In de loop van 2003 hebben Boni en De Specerij Beheer B.V. – van welke laatste vennootschap [geïntimeerde] bestuurder en enig aandeelhouder is – besloten tot de gezamenlijke oprichting van Food Factory License B.V. (verder: "FFL"). Op 1 juli 2003 hebben zij de op te richten vennootschap als Food Factory License B.V. i.o. (verder: "FFL i.o.") doen inschrijven in het handelsregister. 3.3 Op 7 oktober 2003 zijn tussen [geïntimeerde]. optredend namens Food Factory Holding B.V. i.o. en Manpro Projectontwikkeling B.V., en Boni "Principe uitgangspunten voor samenwerking voor Food Factory License B.V." overeengekomen (verder: "de overeenkomst van samenwerking"), waarin onder meer is bepaald: "HM [[geïntimeerde] namens Food Factory Holding B.V. i.o. en Manpro Projectontwikkeling B.V.: toev. hof] levert aan BM [Boni: toev. hof] 55% van de aandelen van FF [FFL: toev. hof] tegen nominale waarde met dien verstande dat onlosmakelijk aan deze levering een call optie is verbonden die HM kan uitoefenen in december 2005 bij een mogelijke beëindiging van de samenwerking. (…) De call optie houdt in dat BM de aandelen FF tegen nominale waarde dient terug te leveren aan HM. (…) Bij de beëindiging van de samenwerking zullen (…) de aandelen FF door BM voor nominale waarde aan HM worden teruggeleverd (…) en zal de lening van BM aan FF van € 1 mio terstond terugbetaald dienen te worden door FF." Ter uitvoering van deze overeenkomst is op 7 oktober 2003 tevens een overeenkomst van geldlening aangegaan tussen – volgens de aanhef ervan – "Food Factory License B.V., vertegenwoordigd door [geïntimeerde]", en Boni (verder: "de overeenkomst van geldlening"), krachtens welke overeenkomst Boni onder meer een bedrag van € 650.000,- aan FFL – die ten tijde van de overeenkomst van geldlening nog niet was opgericht – ter leen heeft verstrekt. De genoemde samenwerking is met ingang van 31 december 2005 geëindigd. 3.4 Op 16 juni 2006 – derhalve na het vonnis van de rechtbank in de onderhavige procedure van 12 april 2006 en vóór de (daarin gelaste) comparitie van partijen op 23 juni 2006 – is een besloten vennootschap onder de naam Food Factory License B.V. opgericht. Na de oprichting heeft deze vennootschap op 21 juni 2006 bij notariële akte de overeenkomst van geldlening bekrachtigd. 4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1 In het onderhavige geschil gaat het met name om de vraag of [geïntimeerde] moet worden veroordeeld tot (terug)betaling aan Boni van het door Boni ingevolge de overeenkomst van geldlening aan FFL i.o. geleende bedrag van € 650.000,-. 4.2 Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof het volgende voorop. Uit het bepaalde in artikel 2:203, eerste en tweede lid, BW vloeit voort dat een persoon die een overeenkomst heeft gesloten met een ander die namens een op te richten besloten vennootschap handelt, slechts uit die overeenkomst kan worden aangesproken door een nadien opgerichte besloten vennootschap, wanneer deze laatste de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd en bovendien moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam, alsmede dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of van dat laatste sprake is. In overeenstemming hiermee moet ook worden aangenomen – hetgeen met name relevant is voor het onderhavige geval – dat die ander tegenover zijn wederpartij slechts van zijn in lid 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bevrijd indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte besloten vennootschap die moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden. Of van het laatste sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Heeft degene die handelde namens de op te richten vennootschap dit gedaan in het kader van de uitoefening van een bedrijf, aangeduid als vennootschap (BV) in oprichting (i.o.), dan kunnen onder meer van belang zijn: de namen van de vennootschap in oprichting en de opgerichte vennootschap; de bij de beide vennootschappen betrokken personen; de aard van het door de vennootschappen uitgeoefende bedrijf; het kapitaal van de opgerichte vennootschap in het licht van de omvang van de transactie; hetgeen in de akte van oprichting omtrent de vennootschap in oprichting is verklaard (daaronder begrepen dat daaromtrent niets is verklaard); hetgeen omtrent de beide vennootschappen in het handelsregister is ingeschreven. 4.3 In het onderhavige geval heeft Boni op grond van de overeenkomst van geldlening [geïntimeerde] aangesproken als zijnde hoofdelijk verbonden op grond van artikel 2:203, tweede lid, BW. [geïntimeerde] heeft daartegen, in hoofdzaak, twee verweren gevoerd, te weten - dat de overeenkomst van geldlening namens de nog op te richten vennootschap niet door hem is aangegaan maar door de (door hem vertegenwoordigde) vennootschap De Specerij Beheer B.V.; - dat de op te richten vennootschap inmiddels is opgericht en de overeenkomst heeft bekrachtigd, waarmee de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203, tweede lid, BW is vervallen. 4.4 Het (eerste) verweer van [geïntimeerde] dat hij bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening slechts heeft gehandeld in hoedanigheid van zelfstandig bevoegd bestuurder van De Specerij Beheer B.V., moet worden verworpen. De overeenkomst van geldlening vermeldt immers als partijen Boni enerzijds en "Food Factory License B.V., vertegenwoordigd door [geïntimeerde]", anderzijds, hetgeen uiteraard slechts FFL i.o. kan betreffen. Op geen enkele wijze wordt in die overeenkomst of in de daarmee in verband staande overeenkomst van samenwerking gerefereerd aan de omstandigheid, dat [geïntimeerde] zou zijn opgetreden namens De Specerij Beheer B.V. [geïntimeerde] heeft ook anderszins geen (voldoende toegelichte) stellingen geponeerd waaruit een dergelijke conclusie zou kunnen worden getrokken, terwijl hij evenmin een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod terzake heeft gedaan. Daar komt nog bij dat in de tussen partijen gevoerde correspondentie voorafgaande aan de overeenkomst van samenwerking en de overeenkomst van geldlening (productie 8 tot en met 12 Boni in eerste aanleg) voortdurend wordt uitgegaan van een samenwerking tussen Boni en [geïntimeerde], en De Specerij Beheer B.V. in geen enkel verband wordt genoemd. Ten slotte bepaalt de akte van bekrachtiging van 21 juni 2006 dat onder de bekrachtigde rechtshandelingen onder meer is begrepen "het aangaan van de overeenkomst van geldlening de dato zeven oktober tweeduizend en drie tussen Food Factory License B.V. i.o. en Boni-Markten B.V.". Dat De Specerij Beheer B.V. destijds in het handelsregister ingeschreven heeft gestaan als bevoegd functionaris van FFL i.o., kan aan het voorgaande niet afdoen. 4.5 In het kader van het (tweede) verweer van [geïntimeerde] – die derhalve namens de op te richten vennootschap handelde in het kader van de uitoefening van een bedrijf, aangeduid als vennootschap (BV) in oprichting (i.o.) en sedert 1 juli 2003 in het handelsregister ingeschreven als FFL i.o. – dat hij in het onderhavige geval van zijn in artikel 2:203 lid 2 BW bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid is bevrijd, is allereerst van belang dat vaststaat dat de overeenkomst van geldlening is bekrachtigd door de na het sluiten van die overeenkomst opgerichte besloten vennootschap FFL. Hamvraag is derhalve, nu Boni dit betwist, of deze op 16 juni 2006 opgerichte besloten vennootschap (FFL), gegeven de omstandigheden van het geval, moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst van geldlening op 7 oktober 2003 op het oog hadden. 4.6 Bij de beantwoording van deze vraag acht het hof allereerst van belang hoe de overeenkomst van samenwerking en de (daaruit voortvloeiende en daarmee dus in verband te begrijpen) overeenkomst van geldlening moeten worden uitgelegd. Daarbij stelt het hof voorop dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang. 4.7 Hiervan uitgaande overweegt het hof dat uit de beide overeenkomsten, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan worden afgeleid dat Boni en [geïntimeerde] – die daarbij namens de op te richten besloten vennootschap FFL i.o. handelde – bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening voor ogen heeft gestaan dat FFL binnen afzienbare termijn na het aangaan van deze overeenkomst, en in elk geval (ver) vóór 31 december 2005, zou worden opgericht. Daarvoor is het volgende van belang. De overeenkomst van samenwerking is blijkens artikel 1 ervan aangegaan voor in beginsel de periode van 1 september 2003 tot 31 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.