ECLI:NL:GHARN:2007:BA9538
Arrest d.d. 10 juli 2007 Rolnummer 0600551 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [namen 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante in het incident, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellant], procureur: mr. F.J. Boom, tegen Aqua Oud B.V. voorheen C-Mark B.V., gevestigd te Zwolle, geïntimeerde in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: C-Mark, procureur: mr. L. Paulus.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 12 april 2006 en 5 juli 2006 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 29 september 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 12 april 2006 en 5 juli 2006 met dagvaarding van C-Mark tegen de zitting van 7 november 2006.
De conclusie van de memorie van grieven luidt: "de vonnissen die tussen partijen zijn gewezen op 12 april 2006 en 5 juli 2006 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, te verklaren voor recht:
Primair:
Subsidiair:
Een en ander met veroordeling van C-Mark in de kosten van de procedure, zowel in de kosten van het incident in eerste aanleg als in hoger beroep."
Bij memorie van antwoord is door C-Mark verweer gevoerd met als conclusie: "C-Mark verzoekt het Gerechtshof bij arrest [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, althans de aangevoerde grieven ongegrond te verklaren en het tussen partijen gewezen vonnis van 5 juli 2006 te bekrachtigen, onder veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] om binnen zeven dagen na het wijzen van dit arrest aan geïntimeerde hoger beroep te betalen de kosten van het geding in hoger beroep, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde tijd zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is."
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellant] heeft twee grieven opgeworpen.
De beoordeling Met betrekking tot de feiten 1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de overwegingen 2.3 van het vonnis van 12 april 2006 en 2.3 van 5 juli 2006 is geen grief ontwikkeld, noch is daartegen anderszins een bezwaar aangevoerd, zodat daarvan ook in hoger beroep zal worden uitgegaan. Het volgende staat vast.
1.1. In een brief van 11 september 1998 heeft Centrilab [appellant] de resultaten van een wateranalyse gegeven en “een plan voor verandering van de filterinstallatie op korte termijn”. De inleiding van deze brief luidt deels als volgt.
In uw mosselverwerkingsbedrijf is op korte termijn (enkele weken) een verandering in de aanwezige filterinstallatie gewenst. Op langere termijn (over enige maanden) wordt gedacht aan een geïntegreerde wijziging van alle bij de mosselschoonmaak betrokken waterbehandelingsinstallaties (...) Onderstaand worden de resultaten van de wateranalyse gegeven, alsmede een plan voor verandering van de filterinstallatie op korte termijn.
Aan de onderzijde van de eerste pagina van de aanbiedingsbrief van 11 september 1998 is vermeld:
Adviezen en onderzoeken volgens voorwaarden gedeponeerd bij de K.v.K. te Amersfoort, d.d. 30 september 1996 1.2. Mede op grond van de bevindingen in de genoemde brief heeft [appellant] aan Centrilab opdracht verstrekt tot het ontwikkelen van een plan voor de waterbehandeling voor de mosselopvang op langere termijn (de aanleg van een nieuwe zuiveringsinstallatie).
1.3. Bij brief van 12 februari 1999 heeft Centrilab [appellant] daartoe een voorlopig plan toegezonden. Ook deze brief bevat de hiervoor geciteerde verwijzing.
1.4. [appellant] is een dochtervennootschap van Continental Shelfish Organisation BV. In een op 24 maart 2000 gedateerde verklaring heeft Continental Shelfish voor zover van belang het volgende verklaard:
Ondergetekende, Continental Shellfish Onrganisation BV (…) stelt zich hierbij hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden voortvloeiend uit de na 1 mei 1998 aangegane rechtshandelingen van: [appellant] te [vestigingsplaats] (…) Met betrekking tot de procedure in eerste aanleg 2. Nadat tussen partijen een geschil was gerezen over de uitvoering van het hiervoor bedoelde plan heeft [appellant] bij de rechtbank Zwolle-Lelystad een schadevordering ingesteld. In een door C-Mark opgeworpen bevoegdheidsincident heeft de rechtbank een arbitrageclausule uit de algemene voorwaarden van (de rechtsvoorganger van) C-Mark van toepassing geoordeeld (de AV) waarin is bepaald, kort gezegd, dat alle geschillen welke tussen de gebruiker en de wederpartij mochten ontstaan met uitsluiting van de gewone rechter zullen worden beslecht door arbitrage. Om die reden heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen.
Met betrekking tot grief I 3. Met deze grief bestrijdt [appellant] andermaal dat de AV tussen partijen zijn overeengekomen. Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot grief II 8. Deze grief heeft een subsidiair karakter: indien de AV al zijn overeengekomen, dan nog is volgens [appellant] het oordeel van de rechtbank onjuist dat de vernietigingsgronden van artikel 6:233 en 6:234 BW niet door haar kunnen worden ingeroepen omdat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat artikel 2:403 BW sinds 1 mei 1998 in de zin van artikel 6:235 lid 1 BW op [appellant] van toepassing is.
Voorts met betrekking tot grieven II 13. Nu de AV weliswaar van toepassing zijn, maar de vernietigingsgronden van artikel 6:233 en 6:234 BW door [appellant] wel kunnen worden ingeroepen, komen de door deze partij in grief II aangevoerde stellingen aan de orde dat (de rechtsvoorganger van) C-Mark heeft nagelaten om voor of bij het sluiten van de overeenkomst van opdracht waarover dit geschil gaat een exemplaar van haar voorwaarden aan [appellant] ter hand te stellen, zoals ingevolge artikel 6:233 sub b juncto 6:234 lid 1 en onder a BW van haar verlangd mocht worden.
C-Mark betoogt dat zij haar algemene voorwaarden in 1996 aan al haar cliënten (dus ook aan [appellant]) heeft toegestuurd. [appellant] ontkent dat, onder de toevoeging dat de door C-Mark overgelegde voorwaarden kennelijk pas op 5 oktober 2000 zijn gedeponeerd.
Daarmee heeft C-Mark in zoverre aan haar stelplicht voldaan dat met ter hand stellen inderdaad het vooraf toezenden gelijk dient te worden gesteld. Dit veronderstelt echter wel dat [appellant] een redelijke mogelijkheid heeft gehad van de AV kennis te nemen. Dat laatste heeft deze partij bestreden met het verweer dat zij die voorwaarden nooit heeft ontvangen. Dientengevolge rust op C-Mark eveneens de plicht te bewijzen dat de AV waar zij zich op beroept [appellant] hebben bereikt in de in artikel 3:37 BW bedoelde zin. Nu zij in dat opzicht slechts heeft aangevoerd dat de AV aan [appellant] net als aan al haar andere klanten (afzonderlijk) in 1996 zijn toegezonden, moet worden geconcludeerd dat C-Mark aan dit onderdeel van haar stelplicht niet heeft voldaan, zodat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen.
Mitsdien moet er in rechte van worden uitgegaan dat [appellant] geen redelijke mogelijkheid heeft gehad van de AV kennis te nemen en slaagt op grond daarvan haar beroep op vernietiging van die AV.
Slotsom 16. Nu niet met succes een beroep is gedaan op de voorwaarden waarin de arbitrageclausule is opgenomen, zullen de vonnissen waarvan beroep worden vernietigd. De rechtbank had zich immer bevoegd moeten achten van het geschil kennis te nemen en had de incidentele vordering om die reden dienen af te wijzen.
De zaak zal naar de rechtbank worden verwezen. C-Mark zal als de in het incident in beide instanties in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide procedures worden verwezen (tarief VII, 1,5 punt in eerste instantie, 1 punt in hoger beroep).
De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat op de overeenkomst die tussen [appellant] en C-Mark is gesloten niet de algemene voorwaarden van C-Mark van toepassing zijn; verklaart de rechtbank deswege bevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen; veroordeelt C-Mark in de kosten van het incident in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] : in eerste aanleg op € 4.806,71 aan verschotten en € 3.870,00 aan salaris voor de procureur, in hoger beroep op € 367,32 aan verschotten en € 3.895,00 aan salaris voor de procureur; verwijst de zaak naar de rechtbank Zwolle-Lelystad ter verdere behandeling en beslissing.
Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Janse, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 juli 2007.