GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer 200.003.971 beschikking van de pachtkamer van 14 oktober 2008 inzake [appellant], wonende te [adres], appellant in het principaal beroep, verweerder in het incidenteel beroep, advocaat: mr. F.J. Boom, tegen: 1. [geïntimeerde sub 1], wonende te [adres], 2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [adres], geïntimeerden in het principaal beroep, appellanten in het incidenteel beroep, advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 27 februari 2008, die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen, tussen appellant in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [appellant]) als verzoeker en geïntimeerden in dat beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerden]) als verweerders heeft gegeven. Van genoemde beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] is bij ter griffie van het hof op 27 maart 2008 binnengekomen beroepschrift tegen genoemde beschikking in beroep gekomen. Daarbij heeft hij vijf grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen, heeft hij bewijs aangeboden, heeft hij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij beschikking, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond zal verklaren, de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw recht doende: primair: het verzoek tot verlenging niet-ontvankelijk zal verklaren om reden dat de opzegging nietig is, onder bepaling dat de pacht voor onbepaalde tijd loopt; althans subsidiair: het verzoek tot verlenging van de pacht toe zal wijzen en de pacht met de wettelijke duur zal verlengen, althans met een duur die het hof vermeent te behoren; primair en subsidiair: kosten rechtens. 2.2 Bij ter griffie van het hof op 6 mei 2008 binnengekomen verweerschrift hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden, hebben zij in incidenteel beroep één grief tegen de bestreden beschikking opgeworpen en hebben zij geconcludeerd dat het hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking uitsluitend voor wat de tenaamstelling van de verpachters betreft zal vernietigen en opnieuw beschikkende zal bepalen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats], als verpachters en procespartij worden aangemerkt, en de bestreden beschikking voor het overige, voor zoveel nodig met wijziging en/of aanvulling van gronden zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. 2.3 Bij ter griffie van het hof op 30 mei 2008 binnengekomen verweerschrift in incidenteel appel heeft [appellant] ter zake van de grief in het incidenteel beroep verweer gevoerd en heeft hij geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] in hun incidenteel beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat beroep ongegrond zal verklaren en de bestreden beschikking in zoverre ongewijzigd in stand zal laten, een en ander kosten rechtens. 2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2008. Ter zitting zijn verschenen appellant, vergezeld door onder meer mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en geïntimeerde sub 2 vergezeld door onder meer mr. Van Dijk voornoemd en [naam], rentmeester. Mr. De Jager voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting, te weten op 10 september 2008, aan de wederpartij en het hof een aantal nieuwe producties gezonden. Desgevraagd heeft mr. Van Dijk voornoemd ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die producties en dat hij instemt met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof. 2.5 Ingevolge een ter zitting met partijen gemaakte afspraak hebben de leden van deze kamer mr. J.K.B. van Daalen en ir. H. Rogaar, vergezeld van de griffier, op 22 september 2008 de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen. Op een vraag van mr. Van Daalen aan de advocaten van partijen of zij zich naar aanleiding van hetgeen bij die gelegenheid zichtbaar was per brief wilden uitlaten, hebben beide advocaten ontkennend geantwoord. 2.6 Het hof heeft beschikking bepaald op heden. 3 De vaststaande feiten 3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast. 3.2 Tussen de rechtsvoorgangers van partijen bestond generaties lang een (mondelinge) pachtovereenkomst met betrekking tot de [naam], [adres]. 3.3 Deze pachtovereenkomst is op schrift gesteld op 31 maart 1971, op 2 juni 1971 bij de Grondkamer te Gelderland ingekomen en door die kamer goedgekeurd op 7 juli 1971. Volgens deze overeenkomst behoorde tot het gepachte in totaal 8.13.35 ha land, nam de pacht aan op 31 maart 1971 en eindigde de overeenkomst op 21 februari 1983, waarbij het tijdvak van 31 maart 1971 tot 22 februari 1972 voor een vol pachtjaar werd gerekend. 3.4 Ingaande 22 februari 1989 is [appellant] bij pachtwijzigingsovereenkomst van 22 februari 1989 als pachter in de plaats getreden van zijn vader. 3.5 Op 28 december 2005 heeft de toenmalige verpachter, [naam], het gepachte in eigendom overdragen aan zijn kinderen, [geïntimeerden] 3.6 Bij brief van 5 januari 2007 heeft de rentmeester van [geïntimeerden] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven: “Hierbij bericht ik u de pachtovereenkomst tussen [naam], mede namens zijn beide kinderen als verpachter en u als pachter van de boerderij ’[naam] te stuiten overeenkomstig artikel 36 van de Pachtwet per 22 februari 2008. Het betreft de pachtovereenkomst d.d. 31 maart 1971, bij de Grondkamer geregistreerd onder [...] betreffende de boerderij ’[naam] met een oppervlakte van 8.13.35 ha, thans met 7.99.35 ha.” Deze brief heeft [appellant] uit handen van de rentmeester ontvangen. 3.7 Op 28 maart 2007 heeft de pachtkamer in eerste aanleg op verzoek van [geïntimeerden] het gepachte bezichtigd. Het proces-verbaal van die bezichtiging vermeldt onder meer: “Mede in aanmerking nemende de lange pachtrelatie tussen de families van beide partijen (een relatie van meer dan 200 jaren) ziet de pachtkamer geen aanleiding een formele aanwijzing te gegeven als bedoeld in artikel 55 van de Pachtwet, zij het dat de pachtkamer [appellant] wel in overweging geeft het nodige op te ruimen opdat het gepachte een meer ordelijke indruk zal maken dan tijdens de bezichtiging het geval was.” 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het eerste blad van de bestreden beschikking vermeldt de naam van [vader] als verweerder. Het hof beschouwt die vermelding als een kennelijke vergissing. De bestreden beschikking moet aldus worden gelezen dat [geïntimeerden] de verweerders zijn. Zij zijn immers thans eigenaren en verpachters. Op dezelfde grond moeten [geïntimeerden] in hoger beroep worden aangemerkt als de geïntimeerden in het principaal beroep en niet mede [vader]. Gelet op het voorgaande hebben [geïntimeerden] geen belang meer bij behandeling van de grief in het incidenteel beroep en zijn zij in dat beroep niet-ontvankelijk. 4.2 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist. 4.3 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door verpachters een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel. 4.4 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardings-procedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook in-houdelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet. 4.5 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van nietverlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven. 4.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen. 4.7 Met grief 1 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de kennisgeving van niet-verlenging niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. In dit verband betoogt [appellant] in de eerste plaats dat bedoelde kennisgeving op naam van [vader] is gedaan in plaats van op naam van [geïntimeerden] als eigenaren en verpachters. Dit betoog treft geen doel. Volgens de tekst van de brief van 5 januari 2007 is de kennisgeving mede namens de kinderen van [vader], [geïntimeerden], gedaan. Dat de namen van die kinderen niet zijn vermeld, doet niet ter zake. De wet stelt niet de eis dat de naam van de verpachter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.