ECLI:NL:GHARN:2008:BG5268
Arrest d.d. 11 november 2008 Zaaknummer 107.001.816/01 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats appellant], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. P.M. Wilmink, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats geïntimeerde], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. F.J. Boom, Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 14 december 2005, 12 april 2006 en 31 januari 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 17 april 2007, hersteld bij exploot van 24 mei 2007, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 31 januari 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 5 juni 2007.
De conclusie van de memorie van grieven luidt: ''te vernietigen het vonnis, door de Rechtbank te Zwolle-Lelystad op 31 januari 2007 tussen partijen gewezen, en, opnieuw rechtdoende, de geïntimeerde alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.'' Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie dat het hof: ''uitvoerbaar bij voorraad - partij [appellant] in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door [appellant] ingestelde hoger beroep ongegrond zal verklaren, met voordeling van partij [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van partij [geïntimeerde].'' Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.
Daarna heeft [appellant] nog een akte uitlating producties genomen.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellant] heeft vier grieven opgeworpen.
De beoordeling De inhoud van het procesdossier Ter rolle van 15 april 2008 heeft [geïntimeerde] behalve zijn pleitnotities nog twee producties overgelegd. [appellant] heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Gelet op de fase waarin deze stukken in het geding zijn gebracht en gelet op dit bezwaar, zal het hof aan de inhoud van die producties wegens strijd met de regels van goede procesorde voorbijgaan, voor zover ze niet al onderdeel van de stukken uitmaakten.
De feiten 1. De rechtbank heeft in het vonnis van 12 april 2006 onder 2 (2.1 tot en met 2.6) een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan. Voor zover dat voor de beoordeling van dit geschil in het bijzonder nog van belang is, staat het volgende vast.
Het cursusgeld bedraagt f. 2.250,=. Afhandeling, verzending, facturering etc. zal geschieden door [appellant]. Volgens de notitie bedraagt de kostprijs van de microscoop f. 10.505,= en de verkoopprijs f. 18.500,= (excl. BTW). In de notitie wordt vermeld dat de winstmarge van f. 8.000,= als volgt wordt verdeeld: "Gaan we er van uit dat [voornaam appellant] een bedrag krijgt van f. 2.750,= en [voornaam geïntimeerde] van f. 2.250,= dan is er voor de verkoper over f. 3.000,=. Iedereen kan in principe verkoper zijn." In een begeleidend schrijven, waarin partijen wordt gevraagd de notitie getekend te retourneren, wordt de notitie gepresenteerd als 'uitgangspunt' voor samenwerking. [appellant] heeft de notitie niet ondertekend.
Het geschil 4. [geïntimeerde] stelt dat tussen partijen op of omstreeks 21 september 2001 een overeenkomst tot stand is gekomen voor de gezamenlijke ontwikkeling en verkoop van de (nog niet geheel gereed zijnde) microscoop. [appellant] heeft naar zijn zeggen deze samenwerking eenzijdig beëindigd, als gevolg waarvan [geïntimeerde] schade lijdt. De gevorderde schade bestaat uit gederfde inkomsten uit de verkoop van 25 beweerdelijk verkochte microscopen en gemiste cursussen. Omdat [appellant] het bestaan van een overeenkomst betwistte, heeft de rechtbank [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat de gestelde overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Nadat daartoe getuigen waren gehoord, heeft de rechtbank [geïntimeerde] in dat bewijs geslaagd geacht, en is diens vordering tot een hoofdsom van € 6.138,= toegewezen. Tegen de afwijzing van het meerdere is niet geappelleerd, zodat in dit hoger beroep alleen de toewijzing aan de orde is.
Grief I 5. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.
Vóór 21 september 2001 hebben veel vergaderingen plaatsgevonden, ik denk maandelijks en gedurende meer dan een jaar. Daarnaast heb ik zowel veel telefoongesprekken gevoerd als e-mails gestuurd, zowel met [appellant], [de constructeur] als [de vertrouwenspersoon]. Ik zie het zo dat de notitie van 21 september 2001 een overeenkomst inhield die uitgevoerd kon worden zodra mijn goedkeuring van de microscoop er was.
In zijn brief van 9 maart 2005 merkt [appellant] op dat hij na enige tijd van bezinning heeft aangegeven met de door [de vertrouwenspersoon] genoteerde punten niet akkoord te gaan. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, kan het hof daaruit niet opmaken dat [appellant] zich voordien met die notitie wel akkoord verklaard heeft.
De slotsom 14. Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat het opgedragen bewijs niet is geleverd en dat de grief dus slaagt. Het beroepen vonnis moet om die reden worden vernietigd, onder afwijzing van het gevorderde. De overige grieven behoeven om die reden bij gebrek aan belang geen bespreking meer. [geïntimeerde] zal in beide instanties in de proceskosten worden verwezen (tarief IV, in eerste aanleg 3 punten, in hoger beroep 2,5 punten), met dien verstande dat voor zover door hem reeds getuigentaxen zijn voldaan deze betaling in mindering strekt op de te betalen verschotten.
De beslissing Het gerechtshof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: wijst het gevorderde af; veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]: in eerste aanleg op € 291,-- aan verschotten inclusief getuigenverhoortaxen (zie hiervoor r.o. 14) en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, in hoger beroep op € 486,31 aan verschotten en € 4.077,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 11 november 2008 in bijzijn van de griffier.